
Wees maar wat stil
en praat maar wat zacht,
want Leo, die jongen die altijd lacht,
die zo vlug en zo lang is,
en voor niemand bang is,
Leo is ziek.
Vanmorgen heb ik hem opgezocht,
zijn moeder deed me open.
Ze zei: “Jij komt zeker voor Leo, hè,
kom maar mee,
zal je zachtjes lopen?”
Leo lag in bed en zag heel bleek,
het was net of hij heel veel kleiner leek
zo in bed met zijn nachtgoed aan.
Ik zei: “Dag Leo, word maar gauw beter”
en hij zei: “Dag Peter,”
Ik kon hem haast niet verstaan.
Op een kastje naast zijn bed
waren allemaal drankjes neergezet.
Op straat scheen de zon,
een draaiorgel maakte muziek.
maar ik dacht alleen maar:
Leo,
Leo is ziek.