
Muisstil daalt de nacht op aarde
dooft elk al te scherp geluid.
Vlakt de lijnen, diept de schaduw,
veegt de verven alle uit.
Schikt de sterren aan den hemel
tot geen donker plekje rest,
Laat een schemering op het water
en een glans in ’t verre West.
Dan rust ze uit en mijmert stille,
zalig in haar zachten glans
En hoe stiller ’t wordt, te meerder
schittert alles aan den trans.
En hoe stiller ’t wordt, te dieper
zinkt het dichte duister neer.
Zelfs de breed gebogen lijnen
van de bomen zie ‘k niet meer;
Eenzaam glijden bootje en schipper
over donkre stroom, zo ver,
En het lichtje dat in top zit
is als een verdoolde ster.