
Ogen, die stralen naar ’t teer roze wiegje,
ogen, die lachen naar ’t kindje zo kleen,
ogen, die zeggen: Ik zal voor je waken;
zó kijken moederogen alleen!
Handen die werken; handen die brengen
je veilig voor ’t eerst naar de schoolbanken heen
Bezige, helpende, troostende handen,
zó zijn de handen van moeder alleen!
En word je groter en kijk je bewuster
naar ’t leven en streven om je heen,
dan is ’t haar stem, die je waarschuw en raad geeft;
zó praten kun je met moeder alleen!
Een hart, dat steeds denkt: voor jou wil ik ’t beste;
dat deelt in je blijdschap, dat mee lijdt in je smart,
dat bidt voor een mooie gelukkige toekomst,
zó is van binnen een moederhart!
Moeder, ‘k verlaat wel, ouder geworden,
jou en je huis, dat is het aloude lied.
Maar, lieve moeder, jouw ogen en handen,
jouw stem en je hart, die vergeet ik niet!
Uit: Moeder