
Alard is dood. Een traan ontsprong mijne oogen,
Toen hij de zijne sloot;
Ik schaam mij niet: ik ben bewogen:
Alard is dood.
Hij hing me aan ’t lijf; hij kleefde me aan de kleeren
Hij kwispelde aan mijn zij’;
Nog stervend sloeg hij menig keeren
Het brekend oog op mij.
Hoe dikwijls lag hij naast mij op de zoden
Aan gindschen eik, als ik, de stad
In ’t vreedzaam avontuur ontvloden,
Te peinzen en te mijmren zat!
‘k Wil aan dien eik voor hem een grafterp stichten
Hij heeft die eer verdiend.
Beschijnt hem minzaam, hemellichten!
Hij was mijn trouwste vriend.