
Een rieten dak met wilde wingerd,
een weggetje dat henen slingert.
Door ’t weke lover dat al leutert;
een kleine dreumes die beteuterd
Naar een ietsje en een nietsje ziet;
Een vogeltje van wiedewied
Een gele zonverheugde ketel,
Een rode lap bij de dovenetel
Een appel die tederste bloeit
In ’t licht dat met het windje stoeit
en fladdert in een glanzend veld
en van iets vriendelijks verteld;
Een beetje stilte en zonnigheid,
Een klein beetje tevredenheid
En overal die blauwe hemel
Met tintel-ver dat blond gewemel
Een veertje dat er nederdwereld.
Er is iets heel liefs in de wereld!