
Weet gij nog wel, hoe zomers avonds
Wij gingen door het bloeiend veld
En hoe we lachende toen zeiden,
wat onze harten was ontweld?
’t Werd stil en stiller. Op uw lippen
bestierf eensklaps het schalkse woord
En hoe wij aan elkander dachten
We wisten ’t, maar wij gingen voort.
Weet gij nog wel, hoe ik toen vermeten
Mij op uw lippen nederboog?
Gij beefdet voor mijn kus. Toen zag ik
een traan, die glinsterde in uw oog.
Er volgde op deze zonnestralen
Een lange nacht. Gij noemdet spel
Wat andren levenslente heetten.
O zeg, mijn lief, weet gij ’t nog wel?