
Wit berijmde boomen droomen
nog van koele zomerdagen,
van hun dicht en donker loover,
meegevoerd door najaarsvlagen.
Langs besneeuwde bermen zwermen
voedsel zoekend vogelvluchten.
Oostewind giert door de boomen,
klagend klinkt hun angstig zuchten.
Als zij buigend wuiven, stuiven
witte wolkjes van hun takken;
op de wit berijpte boomen
maakt de wind dan zwarte vlakken.
’t Zonnestraaltje tuurt er, gluurt er
naar de witte wintergaarde,
licht den grijzen nevelsluier
langzaam van de slapende aarde.
Dan ontwaakt het leven even,
zijn de glinstrend witte boomen
met hun diamant geflonker
schooner nog dan in hun droomen.