
Ze waren gevlogen, zo’n vier jaar geleden
zag ik er niet één meer bij ons in de tuin.
De grasmat waarop ze voordien altijd speelden
vertoonde nadien nooit een spikkeltje bruin.
De dakgoot en windveren werden gemeden.
‘k Ontwaarde ze zelfs niet in heester of kruin.
Zij hadden wellicht een plausibele reden
om elders op zoek te gaan naar het fortuin
Maar vroeg in de morgen, net na het ontwaken
toen zaten er zes bij elkaar, lekker knus.
Ook hoorde ik zacht wat gepiep op de daken
van onder de pannen, daar woonden ze dus.
Mijn dag is niet mooier of beter te maken
Want niets klinkt zo blij als een tjilpende mus
<b