Ontmoeting met Telemann
In 1701 ontmoette Händel de componist Georg Philipp Telemann (24 maart 1681 – 25 juni 1767), die op weg was naar Leipzig om daar rechten te studeren. Er ontstond een warme vriendschap, die hun leven lang zou duren. Beiden hadden grote waardering voor elkaars werk, ook al zagen ze elkaar zelden.
In 1702 schreef Händel zich in aan de universiteit van Halle, officieel voor een studie rechten. Hoewel hij deze opleiding nooit afrondde, bezat hij een brede algemene ontwikkeling die hem onderscheidde van veel andere muzikanten uit zijn tijd. Hij sprak Latijn, Frans, Italiaans en Engels, en had kennis van poëzie en theologie, zaken die hem later als componist van pas zouden komen.
Op zeventienjarige leeftijd werd Händel benoemd tot organist van de Domkirche in Halle. Het was een aanstelling voor één jaar, met een salaris van 50 thaler en gratis huisvesting. Toen zijn contract na dat jaar afliep, besloot hij niet verder te gaan als kerkmusicus. In plaats daarvan trok hij naar Hamburg, waar hij een plek kreeg als violist in het orkest van het Theater am Gänsemarkt. Daar bleef hij drie jaar en raakte bevriend met de bekende operacomponist Johann Mattheson (28 september 1681 -17 april 1764).
Uit die periode stamt ook een opmerkelijke reis die Händel samen met Mattheson ondernam naar Lübeck. Het doel van de reis was een bezoek aan de beroemde Deense organist Dietrich Buxtehude (1637-1707), die werkzaam was in de Mariakirche. Händel was diep onder de indruk van diens spel en overwoog zelfs diens opvolger te worden, zodra Buxtehude met pensioen zou gaan.
Er zat echter een addertje onder het gras. In de voorwaarden voor opvolging stond een wel heel bijzondere eis: wie Buxtehude wilde opvolgen, moest trouwen met diens dochter. Helaas voor Buxtehude, en wellicht ook voor de dochter, sprak zij Händel totaal niet aan. De jonge componist bedankte vriendelijk voor de eer en liet deze veelbelovende kans aan zich voorbijgaan.