
Holland heeft weer een nieuw manie. Overal klinkt in koor:
In my gondola, Barcelona. En van de Picador
Alles is gek met vreemde namen. Omdat het deftig staat.
Ze vergeten dat er één stad is, die alle and’re slaat.
Want noem me maar eens, wie of j’ook bent
En waar je ter wereld kwam,
Eén enkele stad, die,
Hoe dan ook kan tippen aan Amsterdam.
Refrein:
Amsterdam, je bent de stad der steden
Zoals jij bestaat er toch maar één.
En als ik ooit moest kiezen hier beneden
Dan gaf ik alle schatten prijs voor jou alleen
Amsterdam, je bindt m’n hele leven
En als een maal ’t uur van scheiden kwam.
Is het allerlaatste woord, dat je van m’n lippen hoort;
Ik heb je lief mijn heerlijk Amsterdam.
Als een verliefde bengel van het Gym of de H.B.S.
’t Vlammetje van zijn keuze ziet bij ’n Engels of Duitse les.
Gaat er een schok door heel zijn lijf en vast een minuut of drie
Draait zijn hart, zijn hoofd, zijn maag en knikt het hem in z’n knie.
Datzelfde gevoel bekruipt ook mij, wanneer ik hier lang niet kwam.
En ‘k zie weer vanuit mijn sportcoupé,
De torens van Amsterdam
Refrein
Waar kan je Zondags fijner dansen, dan hier in Amsterdam
Waar is zo’n mooi en schaduwrijk plantsoentje als op de Dam
Waar zijn ze altijd maar aan ’t breken Zomer en Winter door.
Waar fluit een verkeersagent je Carmen en Tosca voor.
Of was er soms maar één stadje waar de meisjes beleefder zijn.
En waar je zo lief wordt toegeknikt,
Als ’s nachts op het Rembrandtplein.
Refrein