
De klokken van Haarlem,
Die klinken zoet van toon,
Van tingelingeling, van tingelingeling,
Van tingelingeling , zo schoon!
Soms klinkt er door hun feest’lijk koor,
Een zwaarder galm plechtstatig door,
Bim, bam, bim, bam bim, bam, in ’t oor.
En over de velden
Sterft d’echo van ’t geluid,
Langzaam, langzaam, langzaam uit……!