
De koekoek op de toren zat
De koekoek op de toren zat
De koekoek op de toren zat dideldat
Het regent en sneeuwt en het wordt niet nat
De koekoek spreidt zijn veren uit
De koekoek spreidt zijn veren uit
De koekoek spreidt zijn veren uit didelduit
Toen vloog hij op een goudsmidshuis
Smeed mij een gouden rozenkrans
Smeed mij een gouden rozenkrans
Smeed mij een gouden rozenkrans dideldans
Waar ik met mijn zoete liefje om dans
Geef mij mijn lief, dat ik haar gun
Geef mij mijn lief, dat ik haar gun
Geef mij mijn lief, dat ik haar gun dideldun
Het eerste jaar een boerenzeun
En ’t tweede jaar een dochter fijn
En ’t tweede jaar een dochter fijn
En ’t tweede jaar een dochter fijn dideldijn
Totdat er vijf en twintig zijn
Ja vijf en twintig aan de dis
Ja vijf en twintig aan de dis
Ja vijf en twintig aan de dis dideldis
Dan weet een vrouw wat huishouden is
Wie ons dit liedje heeft gedicht
Wie ons dit liedje heeft gedicht
Wie ons dit liedje heeft gedicht dideldicht
Het was een soldaatje, zijn hartje was licht