
Rietje zit te pruilen
in de verste hoek;
Rietjes goed humeurtje
is geheel nu zoek.
Rietjes blauwe kijkers
zien zo boos je aan,
dat je denkt: “Wat heb ik
Rietje toch gedaan?”
Rie wil dit niet, dát niet,
lezen niet, niet spelen.
Rietje zit maar pruilend
zich wat te vervelen.
En dan gaat ze schreien,
snikken van verdriet…
Vraag je: “Rie wat scheelt je?”
Och, dat weet ze niet.
Lach maar weer, dom Rietje,
laat de zon weer schijnen.
En het boze buitje
één, twee, drie verdwijnen.