
De vloot van de vissers ligt stil, vaart niet uit,
’t Is stil in ’t dorpje aan zee.
Droef staart de vissersman naast zijn schuit,
Die telt nu niet meer mee.
Refrein:
Reeds sinds vele jaren, gaf de zee hun ’t brood.
Trotseerden zij de gevaren, met ’n vaak wrakke boot.
Arme, stoere visser, op de zee gegroeid,
Hun goud der zee, wordt uitgeroeid.
Dat is visserswee.
In vroeger jaren stond heel Volendam,
Bij ’t uitgaan der vissers aan zee.
Wisten zij als de vloot wederkwam,
Brachten zij ’t zeebanket mee.
Refrein
De visser die vroeger zijn brood had op zee,
Loopt nu naar een stempellokaal,
Zijn botter ligt stil en verlaten aan zee,
Dat is een groot schandaal.
Refrein
’t Is uit voor jou visser, gedaan beste maat,
Jou vak is nu ook aan de kant,
Jij bent overbodig…. dus ook maar op straat,
Dat is de dank van ’t land!
Refrein