
Eens op een avond, door weer en wind,
Liep langs de straten, een arm beed’laarskind
Liep langs de straten, een arm beed’laarskind
’t Vroeg om een aalmoes, aan iedereen,
Maar aan die arme, gaf er niet één
Maar aan die arme, gaf er niet één
Toen ging zij henen, naar ’t stille woud,
Schreiend van honger, bibb’rend van kou
Schreiend van honger, bibb’rend van kou
Achter een sneeuwhoop, knielde zij neer,
Vouwde haar handen, bad tot de Heer
Vouwde haar handen, bad tot de Heer
Treurig was haar einde, droevig was haar lot
Nu rust zij zalig boven bij God
Nu rust zij zalig boven bij God