
Een heel klein joodje,
Vouwt een aardig bootje,
Uit een stuk papier.
En hij knipt een ventje,
Uit een kleurig prentje,
O, wat een plezier.
Zet in het bootje,
Het ventje van papier.
Maar de toren,
Doet zijn slagen horen,
Om naar school te gaan
Hij werpt alles neder
Pakt zijn boeken mede
Trekt zijn jasje aan.
Dag pa, dag moe,
‘k ga naar school toe.
‘k Laat het bootje staan.