
Een tuin vol met geurende bloemen
En mooi romantisch struweel,
Die zagen het leed van een meisje,
Dat woonde op het oude kasteel.
Zij was mooi en jong lang geleden
En minde de tuinman zo zeer.
Hij kweekte voor haar mooie rozen,
In kleuren zo zacht en zo teer.
Als ’s avonds de zon was verdwenen,
Sloop zij stilletjes uit huis.
Om dan de man te ontmoeten,
Die zij niet mocht trouwen van thuis.
Maar wreed kwam een einde aan het sprookje,
Haar vader dreef hen uiteen.
De tuinman werd dadelijk ontslagen,
Zo ging het geluk van het heen.
De tuin ziet nu iedere morgen,
Een oude en eenzame vrouw.
De tranen als dauw in haar ogen,
Die zijn het symbool van haar trouw.