
Er was eens een cowboy vol grote gebreken,
’t liep altijd verkeerd wat hij deed.
Hij lag eens te slapen in zijn wollen deken,
werd wakker, dacht: wat is ’t heet.
Hij lag naar ’t kampvuur met zijn achterkant,
het zitvlak was gans uit z’n rijbroek gebrand,
Jippy, jippy, jippy-a-jee,
zing ’t refrein met me mee.
[Refrein:]
Geef mij maar de prairie, een zadel, een paard,
dan kan me de rest niks schelen.
Alleen in de prairie, op zadel en paard,
daar zal ik me nooit vervelen.
Hij trof eens een meisje, ook zij had gebreken
en ’t liep weer verkeerd wat hij deed.
Hij had haar hoofd met zijn paard vergeleken,
omdat zij hem af en toe beet.
Toen hij ’s morgens opstond, toen was ‘ie alleen,
ze ging met z’n paard en revolvertjes heen.
Jippy, jippy, jippy-a-jee,
zing ’t refrein met me mee.
[Refrein]