
Griet, mijn schat,
zeg, weet je wat?
De malle praatjes gaan:
ze zeggen dat wij na een maand
voor ’t outer zullen staan.
Ik weet niet, wat je plan mag zijn,
maar ’t mijne, Griet is klaar.
Spreek jij een enkel vriendlijk woord,
wij trouwen met elkaar.
[Refrein:]
Grietje, mijn aardig Grietje,
ik heb je toch zoo lief!
Wil luisteren naar mijn liedje,
mijn poezel Grietje, mijn hartedief!
Mei maand, nietwaar, is vrijmaand,
je vader hoort mjj dra,
Aan mijn zij, door ’t leven gaan,
mijn schatje staat je dat niet aan?
Toe, zeg nu eindelijk: Ja!
Griet, mijn schat,
zeg, weet je wat?
Dat ik een hoeve bouw
en mooie meubels heb besteld;
’t Wacht alles net op jou,
één ding ontbreekt er, anders niets:
wordt nu mijn zoete vrouw,
Ik draag je op mijn armen rond
en weer den minsten rouw.
[Refrein]
Griet, mijn schat,
zeg, weet je wat
Het volk nog verder praat:
jij hebt een schat van honderd pond.
die op de spaarbank staat.
Zij zeggen: “Enkel voor dat geld
Loopt hij zijn Grietje na.”
Doch was ’t maar negen en negentig pond.
ik smeekte nog: Zeg ja!
[Refrein]