
Het was zo’n aardige jongen
die Hein van de molenaar
Hij zwom als een rat
hij klom als een kat
Hij kende nimmer gevaren.
Ach Hein wees toch voorzichtig
sprak vaak zijn moeder tot hem
Hij hoorde het aan
maar hij wou niet verstaan
die vriend’lijk vermanende woorden.
Nu is hij gisteren begraven
die Hein van de molenaar
Zijn moeder och Heer
zij weende zo zeer
Ook wij volgden stillekens de bare