
Maria heeft Jesus, haar Kindjen in d’arm,
Daar light Hij zoo veilig, zoo rustig zoo warm,
Dan zal Hij dra slapen, Hij is toch zoo moe,
Zacht zingt Zij en Jesuke’s oogjes gaan toe,
Zacht zingt Zij en Jesuke’s oogjes gaan toe.
Maria beschouwt nu het Goddelijk Kind,
Haar Jesus… o, hoe Zij Hem innig bemint…
Dan raakt Z’in verrukking… Wat is Hij toch schoon…
Wat is Hij beminn’lijk… haar God… en haar Zoon,
Wat is Hij beminn’lijk… haar God… en haar Zoon.
Nu legt Zij voorzichtig in ’t kribje Hem weer,
En knielt in aanbidding voor ’t Kindeke neer,
Sint Jozef volgt spoedig dat voorbeeld Haar na;
De hemel slaat ’t Drietal bewonderend ga…
De hemel slaat ’t Drietal bewonderend ga…