
Jozef in een slaap verzonken
naast de wieg van ‘t Godd’lijk kind
werd gewekt door ene engel
die zich aan zijn zij bevindt
Neemt het kind en zijne moeder
sprak tot hem God’s afgezant
want men zoekt het hier te doden
vlucht naar ‘t ver Egypteland
‘t Was zo koud en somber buiten
huilend woei de scherpe wind
ach wat leed zij die arme moeder
en wat smart doorstond dat kind
Toch gaan zij op Gods vertrouwen
moedig naar het verre land
en zij schreden immer verder
door het kale dorre zand
Maar opeens daar staan twee rovers
voor het heilig drietal stil
Jozef schut het kind en moeder
die hij niet verlaten wil
En Maria drukt nog vaster
‘t Godd’lijk kind aan ‘t minnend hart
Heer o God bewaar mijn liev’ling
bidt zij in haar bitt’re smart