
Koosje en Keesje die gingen naar de bakker
Koosje droeg het mandje en Keesje het geld
Koosje zei de boodschap en Keesje had de cenjes op de toonbank uitgeteld
Koosje en Keesje die kregen van de bakker
allebei een koekje dat bliefden ze wel
Koosje zei hap hap en het koekje was verdwenen
maar Keesje zei beleeft ik dank u wel