
Als ‘k, ’s morgens vroeg gestapt van ’t bed,
mijn deur en luiken openzet,
dan valt met geur van bloem en kruid,
met zonneschijn en zoet geluid
van vogels, als een blij begin,
de volle dag mijn woning in.
[Refrein:]
En ‘k zing met frisschen moed:
wat heeft een boer het goed!
Wie leeft er zoo blij,
zoo vrank en vrij,
als hij
op zijn boerderij!
Wanneer mijn zeis het meigras snijdt
en graag in malsche klaver bijt,
dan staan me zon en wind ter zij
en maken ’t kostlijk hooi voor mij.
‘k Heb nog mijn huis vol zomergeur
als staat de winter voor de deur.
[Refrein]
Mijn bruintje hangt, den romp gerekt,
in ’t strak gareel, zijn nek gestrekt
en knikt en nijgt en wispelstaart
en blaast den asem tegen de aard,
die spalkt en splijt en overglijdt
op ’t gladde kouter, dat haar snijdt.
[Refrein]
Des zomers, als mijn sikkel suist
en ’t koren, zwaar van aren, ruischt,
als op mijn akkers baan aan baan
volrijp mijn gouden garven staan,
dan voel ik, welk genot het is,
een boer te zijn, gezond en frisch.
[Refrein]