
Lief kindje dat in ’t kribje ligt,
zie traantjes in uw ogen.
Ach laat mij met een kusje toch,
die lieve traantjes drogen,
die lieve traantjes dro-o-gen
Uw moedertje heeft niets dan stro,
om u op neer te leggen.
Het is zo hard het doet zo’n pijn,
Gij lijdt en kunt niets zeggen,
Gij lijdt en kunt niets zeggen.
Maar weet u lief klein kinderke,
als ik eens groot zal wezen,
dan wordt mijn hart een stalletje,
waar ’t licht en warm zal wezen,
waar ’t licht en warm zal wezen.