
Mijnheer pastoor die had een koe,
Had een koe, had een koe
’t Dier werd krank en ‘k weet niet hoe
[Refrein:]
De pastoor zijn koe (koe-hoe)
Tjroelala, tjroelala, de pastoor zijn koe ja ja
Tjroelala, tjroelala, de pastoor zijn koe.
De koe die had de pips aan ’t hart
Pips aan ’t hart, pips aan ’t hart
’t Dier verging geheel van smart
[Refrein]
De goeie Katrien die ouwe meid
ouwe meid, ouwe meid
had er al zoveel geschreid
[Refrein]
Des ‘s morgens stond ze nog in de stal
in de stal, in de stal
’s Avonds hing ze in de hal
[Refrein]
De burgemeester kreeg de kop,
kreeg de kop, kreeg de kop
die at hij met zijn eega op,
[Refrein]
De secretaris kreeg de long
kreeg de long, kreeg de long
en ook een stukje van de tong
[Refrein]
Een boertje van dichtbij de kerk
bij de kerk, bij de kerk
kreeg een stuk van ‘t achterwerk,
[Refrein]