
Ik heb mijn leven lang geslaafd,
In ’t dienst van ’t algemeen,
Nu is mijn oude rug gekromd,
En stram zijn al mijn leên!
Ik win mijn eigen brood niet meer,
Die tijd is lang voorbij!
Nu hang ik van mijn kind’ren af,
En van het medelij!
Toen ik nog jong en krachtig was,
Deed ik mijn plicht getrouw,
Ik bracht mijn loon niet naar de kroeg,
Maar gaf het aan mijn vrouw!
En drukte soms de zorg mij neer,
Bij ziekte of tegenspoed,
Dan dacht ik:”Eenmaal wordt het licht,
En dan komt alles goed”.
Ik zag in mijn verbeelding reeds,
Mij zelven oud en blij,
In ’t vriend’lijk hoekje van den haard,
Mijn oudje aan mijn zij!
De kind’ren allen goed verzorgd,
En wij ons eigen baas!
Hoe anders is de werkelijkheid,
Hoe wreed en droef, helaas!
Dat ’s Heeren zegen daal’ op hen,
Die moeite voor ons doen,
Die stellen hun talent en tijd,
In dienst van ’t Staatspensioen!
Is eenmaal ’t doel zoo schoon bereikt,
Als ’t streven van den Bond,
Dan voelen wij ons oud en rijk,
Tot onzen laatsten stond!