
O, zomer, mooie zomer,
wat geeft g’ ons toch veel pret!
‘k Speel heel de dag en droom er
des nachts nog van in bed.
O zomer, o zomer, o zomer!
We dwalen langs de paden
van ’t koele schaduwwoud,
daar glanst door d’ eikenbladen
zo warm uw zonnegoud.
O zomer, o zomer, o zomer!
Daar zien we ’t beekje snellen
door ’t groen langs grint en kei,
daar zweven de kapellen
zo kleurig ons voorbij.
O zomer, o zomer, o zomer!
Och zomer, ‘k wou je vragen
al blijf je soms eens weg:
kom met vakantiedagen
toch even over zeg.
O zomer, o zomer, o zomer!