
– Schilderij Marko Pernhart
Als de noorderwind weer giert,
het rokje langs de kuiten sliert
van de meisjes in het park,
haalt des tuinmans grote hark
dode bladeren bij elkaar.
En de bomen zuchten zwaar
onder ’s winters strenge hand
en de krant meldt brand op brand.
Als het heelal naar hutspot geurt
en je oude opa neurt
een oud liedje in zijn baard
over het hoekje bij de haard.
En je winterteen heeft net
het seizoen blauw ingezet.
Kijk je ’s morgens door de ruit
over het dorre stadsbeeld uit.
En je roept met blij gezicht:
“Kijk eens lui, de gracht leit dicht!”
En dan vraag je aan de meid
of ze in de schoonmaaktijd
ergens schaatsen heeft gezien
want wie weet, wellicht misschien…
Als de schillenboer niet liegt
en De Bilt je niet bedriegt
wordt het ijs achttien karaats
en dan gaan we op de schaats.
[Refrein:]
Op het ijs, op het ijs,
op het ijskoude Hollandse ijs.
De baan op en neer
met de wind om je kop,
een tintelend gezicht
en een vuurrode mop.
Op de schaats door een wit paradijs,
op het ijs, op het ijs.
Een meer populair gezicht
zet het ijstijdperk ook in
ergens bij de nieuwe meer,
achter het stadion ongeveer.
Op een hoekje van de baan
bindt pa moeder schaatsen aan
die al met de vraag begint
of hij haar geen teen afbindt.
Maar zegt dan de kleine meid,
die om chocolademelk schreit,
“Hou nou even je gemak
of ik schuif je in een wak”.
Ma probeert een lange sul
op haar oude Friese krul,
die eerst hartverscheurend knarst
en dan pas van binnen barst.
Ma zit op haar zitvlak plots
…voorzichtig knots
ma krijgt zonder slag of stoot
iedereen met een martel dood
Ma wordt omgekocht door pa
met een blokje chocola
in een tentje vlak na de bocht
drinken zij de Huijs weer op
strompelen daar daarna naar frui
zingend met een bronchitis stem:
Op het ijs, op het ijs,
op het ijskoude Hollandse ijs.
De baan op en neer
met de wind om je kop,
een tintelend gezicht
en een vuurrode mop.
Op de baan door een wit paradijs,
op het ijs, op het ijs.