Home / Liedjes / Pastoor zijn koe (versie 1)

Pastoor zijn koe (versie 1)


pastoor kerk geloof

 

Een oud pastoor die had een koe, had een koe,
Maar zij wierd krank, ik weet niet hoe,
De pastoor zijn koe ja!

[Refrein:]
Tjoelala, tjoelala
De pastoor zijn koe, ja, ja,
Tjoelala, tjoelala
De pastoor zijn koe.

Zij had, zo ’t schijnt de pips aan ’t hart;
Zij kermde dag en nacht van smart.

[Refrein]

En Betje Kwezel, d’ oude meid,
heeft immer toe om haar geschreid.

[Refrein]

Daar werd dan eind’lijk met veel rouw,
beslist dat men haar slachten zou.

[Refrein]

Des morgens stond zij in de stal,
des avonds hing z’ al aan de hal.

[Refrein]

Mijnheer pastoor at niet van ’t beest;
zij was hem steeds te lief geweest.

[Refrein]

De burgemeester kreeg de kop;
hij at hem met zijn Eva op.

[Refrein]

De sekretaris kreeg de long
en zijn Madam die kreeg de tong.

[Refrein]

De koster die kwam ook al gauw,
hij kreeg een voorpoot met de klauw.

[Refrein]

En wat er toen nog overbleef,
kreeg ik, mijnheer pastoor zijn neef.

[Refrein]

Zo gij soms nog wat weet, mijnheer,
dan zing maar vort, ik weet niet meer.

[Refrein]