
Twee roosjes bloeien aan een venster.
Geen bloempje op die aard zoo lief zoo schoon.
‘k Schenk het mijn hart genoegen
en aan die zachte bladeren kroon.
Een meisje vroeg mij om een roosje.
Zij lachte en blikte mij vriendelijk aan.
Ik gaf een roosje al aan mijn liefje
en uit haar ogen, uit haar oog ontviel een traan.
Nu staat het roosje daar aan ’t venster,
zoo gansch verlaten, gansch alleen.
Waar zijn toch al die bloemenkleuren,
waar is die weeldepracht dan heen?
Gisteren was het nog zo fleurig,
thans ziet het er kwijnend uit.
Kwijnen doet het ter neder zinken
en stervend denkt het aan zijn bruid.
O mocht ik eens mijn allerliefste,
een engel die mij God hier zond.
Hier van mijn zijde weg zien rukken,
mijn hart bleef in ’t diep gewond.
O mijn God wat zou ik treuren.
Als dit eens geschieden zou,
als een roos zoo zou ik treuren.
En als een bloem en als een bloem zoo stierf ik ook.