
Een liedjeszanger schreeuwde op straat, dat elk ’t kon horen:
`Hier heb je nou ’t bewijs, zo klaar als zonneschijn,
Dat vrouwen geenszins mensen zijn!
Eén oortje; koop! ’t zal jou gewis bekoren.’
Dit maakte Griet en Trijn verwoed:
De toorn ontstak haar beider bloed:
Griet greep hem aan, en zeide: ‘ô Guit! men zal jou leren
De vrouwen naar haar waarde te eren.
Zijn wij geen mensen? schurk! waar ziet ge ons dan voor aan?
Kom, Trijn! laat ons hem straks de kop te plettren slaan’.
Hij, ziende, wat ‘er, door haar dolheid, zou geschieden,
Riep hard: Ik hou het uit dat zij geen mensen zijn:
`’t Zijn engelen, in mensenschijn!’
Elk lachte; en deze trek deed hem haar woede ontvlieden.