
Er zat eens een vrouwtje onder de trap,
Die voerde het kindje met suiker en pap.
Met het lepeltje, uit ’t keteltje.
En Jantje moest naar school toe,
Maar die Jantje kwam veel te laat,
Oh wat werd de meester kwaad.
Meester nam de pompstok
En sloeg Jantje op zijn kop.
Jantje nam zijn houten poot en sloeg die arme meester dood