
Waar de zee de trotse duinen
En de stille wadden groet;
Waar de Maas en Schelde stromen,
En de Rijn zich zeewaarts spoedt;
Daar weerklinkt op blijde dagen ,
Over blinkend watervlak:
‘ ‘k Heb u lief, mijn dierbaar Neêrland,
‘k Heb u lief, ‘k Heb u lief, mijn vaderland!’
Waar de dart’le windjes stoeien,
Met de Zeeuwse korenaar;
Waar de Twentse eiken groeien
En de Drentse lamm’renschaar;
Klinkt dan luid, met volle accoorden,
Zingt men ’t uit met hart en mond:
‘ ‘k Heb u lief, mijn dierbaar Neêrland,
‘k Heb u lief, ‘k Heb u lief.mijn vaderland!’
Waar de blijde zonnestralen,
Lichten over ’t vrije land;
Waar ze een ras, een volk beschijnen,
Kloek van zin en rap van hand;
Zing’ men steeds in de eigen tale,
Klinke steeds zo fier en stout:
‘ ‘k Heb u lief, mijn dierbaar Neêrland,
‘k Heb u lief, ‘k Heb u lief, mijn vaderland!’