
Engeltjes, Engeltjes, Engeltjes komt!
Engeltjes komt toch gezwind!
Neemt er uw speeltuig, uw harp of uw luit,
Slaan wij te zaam dan onz’ vleugelkens uit.
Engeltjes komt toch gezwind!
Komt toch, o komt toch gezwind!
Engeltjes, Engeltjes, Engeltjes ziet,
Engeltjes ziet toch eens toe,
Daar op dat veld in dien armlijken stal,
Ligt er een Kindje, de God van ’t heelal!
Engeltjes ziet toch eens toe!
Ziet toch, o ziet toch eens toe!
Engeltjes, Engeltjes, Engeltjes hoort!
Engeltjes hoort toch eens aan,
’t Zachte geschrei van dat Golddelijk Kind,
’t Is om de menschen, die Hij zoo bemint.
Engeltjes hoort toch eens aan!
Hoort toch, o hoort toch eens aan!
Engeltjes, Engeltjes, Engeltjes zingt,
Engeltjes zingt er uw lied.
Troost door uw angen dat teedere Wicht,
Dat daar uit liefde in het kribbeke ligt.
Engeltjes zingt er uw lied!
Zingt er, o zingt er uw lied!
Engeltjes, Engeltjes, Engeltjes bidt,
Engeltjes bidt tot uw God.
Ja, brengt Hem hulde, aanbidding en eer,
Hij, d’Almacht zelf, ligt daar schreiende neer.
Engeltjes, Engeltjes bidt!
Bidt toch, o Engeltjes bidt!