
Wat is het leven jong en vrolijk,
De hemel straalt in zonnegoud,
Maar ginds in ’t huisje bij het woud,
Is het somber, stil, is het stil en koud.
Hier heerst geen vreugde als daarbuiten,
Doodziek ligt een kleine knaap daar,
Zijn moeder zit vlak nevens hem,
En zachtkens spreekt de knaap tot haar:
‘Ach moesjelief, hoor mij toch aan,
Ik ben te ziek om op te staan,
Ik ben te zwak, haast om te zien,
Toch beter ik nog wel misschien.
En moesjelief, dan moest U doen,
Wat U aan mij beloofd hebt toen,
Dan zou ‘k met u en paatje saam,
Eens voor plezier uit rijden gaan.’
Vol smart staart moeder naar haar jongen,
Een diepe zucht welt uit haar borst,
Een zucht van lijden en verdriet,
Zij weet te goed, hij betert niet.
Toch mag haar lieveling niets merken.
Bemoedigd lacht zij hem toe,
Dat doet het zieke knaapje goed,
En hij herhaalt vol hoop en moed:
‘Ach moesjelief, hoor mij toch aan,
Ik ben te ziek om op te staan,
Ik ben te zwak, haast om te zien,
Toch beter ik nog wel misschien.
En moesjelief, dan moest u doen,
Wat u aan mij beloofd hebt toen,
Dan zou ‘k met u en paatje saam,
Eens voor plezier uit rijden gaan.’
Een maand is er nadien verlopen,
Weer straalt de lucht in zonnegoud,
Maar ginds in ’t huisje bij het woud,
Ligt nu een dode, bleek en koud.
Daar ligt verstijfd in ’t houten kistje,
De kleine knaap, hij is niet meer.
In stomme smart staat vader daar
En moeder knielt in tranen neer.
Dan komt er voor het kleine raam,
Een donk’re droeve rouwkoets staan.
De dragers doen hun zware plicht,
Stil schroeven zij het kistje dicht.
En zoo geschiedde ’t op dien dag,
Vol zonneschijn en zomerlach,
Dat moeders kleine lieveling,
Voor d’ eerste keer uit rijden ging.