
De mol, Talpa europaea, is een ondergrondse wroeter en een zoogdier. In de twintigste eeuw was het mollenvangen niet altijd wettelijk toegestaan. Toch veroorzaakte hij dusdanige schade, voornamelijk aan de landerijen van veehouders en andere grondeigenaren, dat mollenvangers in bepaalde tijden een extra bijverdienste hadden.
De mollenvanger plaatste in de door mollen gegraven gangen klemmen, waarin de mol zich vastliep. De gevangen mollen werden gevild en de velletjes werden opgespannen, gedroogd en aan opkopers verkocht. De hoogste prijzen voor de mollenvelletjes werden betaald gedurende de Eerste Wereldoorlog. Zo werd in 1914 voor een velletje twee kwartjes betaald en vijf jaar later zelfs een daalder tot twee gulden. Tot na de Tweede Wereldoorlog was een winterjas gevoerd met mollenbont een gewaardeerde dracht.