
Mijn broertje leert nu lopen,
Hij kan al stevig staan.
Eerst heeft hij maar gekropen,
Nu moet hij leren gaan.
Daar komt hij aan die kleine guit,
En moeder spreidt haar armen uit.
Opeens doet hij een pas of vier,
En kraait dan van plezier.
Nu kan klein broertje lopen.
Hij is zo blij, zo blij.
Nu gaan we koekjes kopen
En mag hij mee met mij.
Ik trek hem mooie schoentjes aan.
Och, och wat zal dat aardig staan.
En morgen gaan we een wandeling doen,
Naar buiten in ’t plantsoen.