
Ik ben een arme mus
Een hongerleider dus,
Ook plunder ik zoveel ik kan,
Totdat mijn buikje roept “ ik span “
Ai, de hemel sta mij bij
Bij ’t schouwken van de boer,
Daar lig ik op den loer
Ik huppel op en huppel neer,
Ik fladder weg en fladder weer
Mijn tergend lied,
En zwijg voor de koning niet!
Maar ach die wrede boer,
Grijpt naar zijn roestig roer
En eer ik weg kom van zijn fruit,
Steekt hij het dreigend naar mij uit
Pif-paf,
Ik val verduizeld af
Maar zo er nog vergiffenis,
Ginds in den mussenhemel is
Ik vraag pardoen,
En zal het nooit meer doen.