Home / Versjes / De muis

De muis

(Jan van Droogenbroeck (1835-1902))
Met dank aan Ingrid Ouwerkerk voor het insturen van de tekst

De muis, de muis, de kleine muis,
Wat maakt zij toch voor een gedruis
Geheele nachten in ons huis!
Ze ritselt, ze hippelt,
Ze kwispelt, ze trippelt,
Ze knaagt,
Ze zaagt,
Ze haalt en draagt.
Ze krabt,
Ze schrabt,
Ze kleutert,
Ze peutert,
Ze plukt wol tot een bolleken
En rolt het op een rolleken,
Recht naar heur holleken.
Ze bijt lapjes en papierkens
Tot kleine fijne zierkens
En maakt daarvan een nestje klaar,
Zoo zacht, alsof het zijde waar.

Zóó, van den avond tot den morgen
Is ’t aardig dier aan ’t zorgen:
Aan ’t hutselen,
Aan ’t futselen,
Aan ’t knabbelen,
Aan ’t krabbelen,
Aan ’t schikken,
Aan ’t flikken,
In alle hoeken
Aan ’t zoeken,
Hier in slippende,
Daar uit glippende,
Ginds weg wippende….
En dan terug naar heur nest
Want zij weet: Oost, West,
’t huis best.
In pluimen, wolle, pluk en pluis
Slaapt de familie van de muis.
De jongskens zijn nog o! zoo klein!
De muize houdt ze warm en rein;
Want onze kruimeldief
Heeft ze zoo lief!
Daar heeft de kat de muis geroken:
Ze kijkt in ’t hol, zeer diep, diep, diep.
Maar knagelijntje blijft verstoken,
En zegt van binnen: piep, piep, piep!