
Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven
Jan de Lapper kwam ik tegen.
Op het glazen bruggetje.
Ladder in de zak, pijp vol tabak.
‘k Wou dat het altijd zondag was.
Zondag kan niet duren.
Toen ging ik naar de buren.
De buren waren niet thuis.
Toen ging ik naar het gasthuis.
Het gasthuis was gesloten.
Toen ging ik naar de goten.
De goten waren toe.
Toen ging ik naar de koe.
De koe die wou me schoppen.
Toen ging ik naar de poppen.
De poppen wouden me slaan.
Toen ging ik naar de baan.
De baan die was te glad.
Zo viel Jan op zijn gat.
Auteur onbekend. Zijn veel versies.