
Kaatje, Kaatje, morsebel,
Honderd maal zei moeder wel,
Kaatje, Kaatje, wees toch net,
Pas toch op je servet.
Maar het hielp geen ziertje,
Kaatje bleef een morsig diertje.
Wat heeft moeder toen gedaan,
Ze is naar het varkenshok gegaan,
Daar heeft Kaatje ingezeten
En met de varkens pap gegeten.