
Knielen bij de kleine dingen,
Bij het wiegje van een kind,
Voor een vreugd om van te zingen,
Dat ik leef en word bemind.
Voor een nieuwe blijde morgen,
Voor de slaap van heel de nacht,
Voor ’t gezin dat ik mag verzorgen,
Voor de brief die werd gebracht.
Danken als het land mag drinken,
Na een frisse regenval,
Voor de zon , als druppels blinken,
Schitteren als fijn kristal.
Als daar stralend in de wolken,
Staat Gods wijde regenboog,
Waarin Hij tot alle volken,
Zich in liefde neder boog.
Knielen bij de kleine dingen,
Worden kleine dingen groot,
Zie ik steeds meer zegeningen,
Word ik kleiner, en God groot.