
(vlug)
Hop, hop, hop,
Hop, hop, hop,
Vader is Jan’s paardje.
,,Zeg mijnheer, waar wil je heen,
Naar Den Bosch of Overveen?
Op zo’n vurig beest alleen
Ga je met een vaartje.’
(kalmer)
Hop, hop, hop,
Hop, hop, hop,
’t Is de beurt van Maartje.
,,Zeg mevrouw, hoe gaat de reis,
Naar Schiedam of naar Parijs?
Als je mij de weg maar wijst
Ben ik een mak paardje.’
(langzaam)
Hop, hop, hop,
Hop, hop, hop,
Nu komt kleine Letje.
,,Zeg mevrouwtje, weet je ’t al?
Naar Zaandam of Nijverdal?’
,,Ho paard, ga jij maar naar stal,
Want ze gaan naar bedje!’