
Pietje stond eens met zijn makker,
Bij den landman op den akker.
Toen die daar met gulle hand,
Boontjes zaaide op het vette land.
Pietje sprak: ‘Wat domme man,
Zeker weet hij nergens van.
Want had hij enig overleg,
Dan gooide hij geen boontjes weg.’
Landman sprak nog onder ’t zaaien:
‘Kind na ’t zaaien komt het maaien.
Ieder boontje op dit land,
Geeft er zeker naderhand,
40, 50 of nog meer
In den blijde oogsttijd weer.’
Pietje sloeg zijn oogjes neder
En het ventje zal nooit weder,
Bij het werk van ouderliên,
Zo bedillend nederzien.