
Zijn je handen fris gewassen?
Hangt daar niet een veter los?
Bah, wat zit je haar weer slordig!
Foei, foei, wat een warrebos!
Iedere dag hetzelfde liedje,
Maar helaas het hielp maar niet.
Toosje bleef een slordig meisje.
Dat deed moeder groot verdriet.
Alternatief eerste strofe
(met dank aan Maaike Kamps)
Toosje, ben je wel gewassen?
Laat eens gauw je handen zien
Is je hals wel fris en helder,
Of vergat je die misschien?
Zijn je laarsjes goed geregen,
Of hangt daar een veter los?
En wat zit je haar weer slordig!
Foei, foei, wat een warrebos!
vervolg
Eens op school was ’t breien leren,
Da’s een moeilijk werkje, hoor!
‘Nu goed kijken’, zei de juffrouw
‘Eerst doe ik het nog wat voor.’
Daarna kregen alle meisjes
Naalden en een bol katoen
En toen mochten ze proberen
Of ze ’t ook alleen konden doen.
Toos kon ’t ook niet en ze riep al:
‘Helpt u alstublieft, juffrouw!’
” ‘k Zou je danken’, zei de juffrouw,
‘Ik ben veel te vies van jou!’
Kijk toch eens wat vuile handen!
En die nagels, zwart als roet!
Nee hoor, ik kan je zo niet helpen.
Was je thuis maar eerst eens goed!
Toosje kreeg een kleur van schaamte,
Ieder meisje keek haar aan.
Thuisgekomen liep ze dadelijk
Op een drafje naar de kraan.
Frisgewassen en gepoedeld
Liep ze toen naar moeder toe.
‘Kijk, nu ben je een ander meisje.
Ik ken je haast niet meer’, zei moe.
’s Middags vroeg Toos aan de juffrouw:
‘Juffrouw bent u nu nog boos?’
‘Nee hoor’, zei de juffrouw,
‘ ‘k Vind je nu een lieve Toos.’
Toosje bleef een keurig meisje,
Altijd netjes, altijd rein.
En haar moeder en de juffrouw
Hoefden nooit meer vies te zijn.