Home / Gedichten / Klacht

Klacht

(Dop Bles 1883-1940)
Met dank aan Jeanne Albers voor het insturen van de tekst

‘k Dacht dat ik eens zijn bruid zou wezen,
ik heb zijn naam in droom zo vaak gelezen,
waaronder dan de mijne stond;
ik was zijn vrouw –
zodat ik nauw
begrijpen kan,
dat hij nu is een vreemde man
die kust een andre mond.

Ik heb de kaarten opgenomen,
wat hij verbood,
maar in mijn nood
wil ‘k weten of hij terug zal komen –
zij zeggen niet,
dat hij verliet,
de kaarten hebben medelij;
hij ligt nog altijd aan m’n zij.

‘k Ben nu alleen
en zonder wil;
mijn leven staat zo plotsling stil
zoals een wekker stil blijft staan;
ik nam zo alles van hem aan;
ik ben geworden wat hij dacht – –
een lege schacht
is wat hier bleef, hij achterliet; –
een onbegrijpelijk verdriet
in ’t grote bange van de nacht.

Al wat hier staat
het was van mij,
toen hij nog leefde aan mijn zij,
en hier nog klonk zijn stem.
Maar nu hij ging
lijkt ellek ding
te wachten op de komst van hem –
Waar is zij, die ik vroeger was?
Ik zie haar niet in ’t spiegelglas.

Hij nam mij mee; ik was een kind
dat men in d’ avond-straten vindt,
en alles deed ik, wat hij vroeg;
het was zijn geld, al wat ik droeg,
ik was van hem, ik werd weer vroom,
‘k bad elke avond — schoonste droom! –
dat hij mij nimmer zou verlaten
met hem te mogen wandlen door de straten!

Ik gaf hem al wat ik bezat,
al wat ik op de wereld had,
mijn jonge lijf, mijn blijde lach,
mijn onschuld van de eerste dag,
mijn lach, mijn ogen, hart en lijf
dat al verging in het bedrijf,
waaruit allengs zijn kus ging heen; –
maar ‘k had hem nog alleen.

Wat blijft mij, wat?
Ik werd te oud,
mijn hoofd is leeg, mijn hart is koud.

We gebruiken cookies om er zeker van te zijn dat u onze website zo goed mogelijk beleeft. Als u deze website blijft gebruiken gaan we ervan uit dat u dat goed vindt. Meer informatie

Wij gebruiken cookies om ervoor te zorgen dat onze website voor de bezoeker beter werkt. Daarnaast gebruiken wij o.a. cookies voor onze webstatistieken.

Sluiten