
Hij kreeg van zijn opa een accordeon
en leerde er op spelen.
zijn vriendjes hielden er niet van,
maar dat kon hem niet schelen.
Hij groeide op en ging naar zee
en op al zijn verre reizen.
Was zijn accordeon zijn grote vriend
en bleef hem steeds bewijzen.
De accordeon bleef steeds zijn vriend.
In storm en rustig water.
Het was zijn grote kameraad,
van toen en ook van later.
En als hij speelde zacht of luid
en zijn muziek liet horen,
dan kon geen ander mooi geluid,
die melodie verstoren.
Hij was de jongste daar aan boord,
ze droegen hem op handen.
Als zij zijn muziek hadden gehoord,
met klanken uit verre landen,
dan daalde aan boord een serene rust
en was iedereen tevreden.
Dan klonk een applaus van eeltige handen,
van boven en beneden.