Jaren 50



 

16. Kunst in de jaren vijftig

Geschreven door Ilse Steel

(klik op de plaatjes om ze te vergroten)

     

Parijs bruist in de jaren vijftig !

Parijs was na de oorlog het onbetwiste middelpunt van de Europese kunst. Kunstenaars vanuit de gehele wereld vertrokken naar de Franse hoofdstad om hun horizon te verbreden op het gebied van kunst en te genieten van wat het leven hen daar bood. Vaak wonend in de heuvelwijk Montmartre, bevolkt door schilders, componisten schrijvers en dichters. Vele bekende kunstenaars, Pissarro, Toulouse Lautrec, Vincent van Gogh, Matisse en Picasso hebben in Montmartre gewoond. Montmartre was tot in de 19e eeuw een boerendorp, gebouwd tegen een heuvel (La Butte) buiten Parijs.

Dat het een afzonderlijk dorpje was is nu nog te zien aan de kronkelige straatjes, de landelijke huisjes en de verschillende molens (Moulin de Galette). Rond 1890 lag de bebouwing van Montmartre al zo dicht tegen Parijs aan dat de wijk Montmartre werd opgenomen door Parijs. Jonge schilders zochten hun inspiratie op de Place Pigalle en leefden er als bohémiens in het gezelschap van modellen en modinettes. Een bonte verzameling van kunstenaars die Montmarte extra charme gaf. Tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bleef de Butte het artistieke en literaire centrum van Parijs.

Place du Tertre

Place Pigalle

Nouvelle Athènes

Het Place Pigalle vormt het centrum van de wijk Pigalle, dat van oudsher een uitgaanscentrum is dat gespecialiseerd is in het nachtleven. Hier bevinden zich veel cafés, cabarets en nachtclubs. De beeldhouwer Jean Baptiste Pigalle (1714 – 1785), beroemd om zijn graftombe voor de maarschalk De Saxe en het beeld van de naakte Voltaire dat nu in het Louvre staat, leeft voort in de naam van dit plein. Aan dit plein en de omliggende straten waren aan het einde van de 19de eeuw talloze ateliers en literaire cafés gelegen, waarvan het beroemdste het Nouvelle Athènes was.

Vele kunstenaars voelden zich als een vis in het water en genoten hiervan, vaak zonder een cent op zak scharrelden ze hun kostje bij elkaar door schetsen te verkopen of een voordracht te houden. De componist Erik Satie speelde in Nouvelle Athènes (literair café) op de piano. Place du Tertre, (Heuvelplein) is een beroemd pleintje in het hart van de Parijse wijk Montmartre en gelegen op korte afstand van de basiliek Sacre-Coeur, waar schilders, portrettekenaars en silhouetknippers aan het werk zijn. Het herinnert aan de tijd toen vele bekende kunstenaars hier leefden.

Fauvisme

Stroming in de Franse schilderkunst die rond 1904 ontstond. Het betrof de eerste belangrijke avant-gardestroming van de 20e eeuw. Kenmerken hiervan zijn: felle kleuren (vaak onvermengd), een ruwe penseelvoering, vereenvoudigde vormen, en gedurfde vertekeningen. Wanneer er gebruik gemaakt werd van licht en schaduw was dat gewoonlijk zonder tussentinten en zonder zachte overgangen. De fauvisten experimenteerden veel en zij wilden de schilderkunst bevrijden van artistieke conventies. Het centrale perspectief, en andere academische ingrepen werden achterwege gelaten. Ze hadden geen gemeenschappelijk programma, er was slechts sprake van een samenwerkingsverband. Dit stimuleerde individualistische stijlen binnen de stroming. Vooral het subjectieve kleurgebruik van het fauvisme is belangrijk geweest voor de ontwikkeling van de twintigste-eeuwse kunst.

Kleur had voorheen een beschrijvende functie. De kleur werd door hen als een autonoom beeldend middel aangewend. De vereenvoudiging van de vorm en het benadrukken van het 2-dimensionale vlak van het schilderij was eveneens van groot belang. De briljante kleurvlakken, niet de voorstelling, zijn het onderwerp van het schilderij. De Fauvisten schilderden vooral landschappen, zee-, stadsgezichten en mensen in de natuur of in de stad. Deze hadden geen symbolische betekenis maar dienden uitsluitend als uitgangspunt om tot een persoonlijke manier van schilderen te komen. Matisse was de belangrijkste en meest getalenteerde kunstenaar onder hen. Het werk van Derain en De Vlaminck was eveneens van groot belang. Andere kunstenaars zijn: Georges Roualt, Marquet, Friesz, Dufy en Van Dongen.

Cobra 

(1948-1951)

De naam Cobra werd bedacht door Christian Dotremont en verwijst naar de steden Kopenhagen, Brussel en Amsterdam waarvan de stichters afkomstig waren. Een opgerolde slang, de cobra wordt het symbool van de beweging. Cobra werd opgericht in 1948 te Parijs door een groep schilders en schrijvers. Gedurende drie jaar werden tal van activiteiten ondernomen. Ondanks de armoede waarin geleefd werd, slaagde men er toch in allerlei initiatieven te ontwikkelen en in internationaal verband het tijdschrift Cobra uit te geven. Onder de hoofdredactie van Christian Dortrement verschenen acht nummers van het tijdschrift in vier landen.

De teksten van het Cobra tijdschrift werden voornamelijk in het Frans geschreven. Zowel artikelen als afbeeldingen van kunstwerken, verhalen en gedichten verschenen in het tijdschrift. Bekende namen zijn: Asger Jorn uit Denemarken, Christian Dotremont en Pierre Alechinsky uit België, Karel Appel, Corneille, Eugène Brands, Anton Rooskens, Theo Wolve-camp en Constant uit Nederland. De beweging was een reactie op het esthetisme van de surrealisten. De schilders zochten een spontane, experimentele en uitbundige schilderwijze. Inspiratiebron was het ongerepte van de kunst van de natuurvolken, de volkskunst en de naïviteit van de kindertekeningen.

Woordvoerders waren de schrijver Dotremont en de schilders Asger Jorn en Constant. De eerste Cobra-tentoonstelling was in 1948 te Kopenhagen, de tweede in maart 1949 in Brussel, onder de naam ‘La fin et les moyens’. Het Stedelijk Museum in Amsterdam, het Stedelijk Museum in Schiedam, het Cobra Museum in Amstelveen en de musea in Ålborg en Humleback, Denemarken, bezitten veel werk van de Cobra beweging. In 1951 zijn gebrek aan financiële middelen en de ziekte van Asger Jorn en Christian Dotremont er de oorzaak van dat Cobra officieel wordt ontbonden. De Cobra-beweging heeft, ondanks het korte bestaan, een grote invloed gehad op de moderne kunst

Enkele leden van de Cobra-groep

 

Asger Jorn

(1914-1973)

De Deense kunstschilder, schrijver en filosoof Asger Jorn begon zijn loopbaan als portrettist en landschapsschilder. In de jaren dertig veranderde zijn stijl onder invloed van het kubisme en de abstracte schilderkunst. Op 21-jarige leeftijd vestigde Asger Jorn zich in Parijs, waar hij lessen volgde bij Fernand Léger en Le Corbusier. Jorn liet zich sterk inspireren door de Scandinavische mythes; hij zocht onophoudelijk naar een kunst die spontaan was en bevrijdend, zowel maatschappelijk als artistiek.

Zijn werk bevat vaak angstaanjagende, mythische wezens. Hij wilde in zijn beeldtaal een verbinding leggen tussen de Noord Europese oude mythologie en zijn eigen moderne tijd; de dieren waren daarbij een afspiegeling van de wereld van de mensen. Belangrijke kenmerken van dit werk zijn zware vormen en donkere kleuren. In de jaren vijftig ontstond de stijl, waarmee Jorn wereldberoemd werd. Op deze schilderijen beeldde Jorn schimmige wezens en wazige visioenen uit. Al tijdens de oorlogsjaren was hij actief schilder in de Deense abstract-expressionistische beweging en was o.a. actief medeoprichter van de Cobra-beweging.

Constant

(Constant Anton Nieuwenhuys)

(1920-2005)

Op zestienjarige leeftijd schilderde Constant zijn eerste schilderij, de Emmaüsgangers. Zonder geld voor doek of verf, gebruikte hij daarvoor een jute suikerzak, en pigmenten die hij van een huisschilder had gekocht. Constant studeerde van 1939 tot 1942 aan de Kunstnijverheidsschool en de Rijksacademie. In 1948 was Constant mede-oprichter van de Nederlandse Experimentele Groep en Cobra. Hij schreef het manifest voor de jonge schilders, dat in het eerste nummer van Reflex verscheen.

Constant vestigde zich in 1950 in Parijs. In deze periode ontstonden de oorlogsschilderijen, waarin hij een vernielde wereld toonde. Aan het einde van de jaren vijftig ontwikkelde hij zijn ideeën over de ideale stad, die hij “Nieuw Babylon” noemde. Constant wordt algemeen beschouwd als de theoreticus van de Cobra-groep. Vergeleken met het werk van Karel Appel, toont het werk van Constant meer maatschappijkritiek. Zijn werken hebben titels als “De oorlog” en “Verschroeide aarde”. De bron voor deze werken ligt in een bezoek aan het naoorlogse Londen. Constant schreef talloze artikelen en manifesten, waarin hij de maatschappelijke rol van de kunstenaar benadrukte. Creativiteit en fantasie zouden volgens Constant in dienst moeten staan van de cultuur.

Karel Appel

(1921-2006)

Appel was een voorstander van directe expressie in verf hij verwoordde het zo: “Wij werken niet vanuit een idee maar vanuit de materie.” In zijn Cobra-jaren maakte hij gebruik van felle kleuren en simpele vormen met stevige lijnen. Zijn onderwerpen waren voornamelijk vriendelijke kinderwezens en fantasiedieren. Ook na het uiteenvallen van Cobra in 1951 bleef hij zijn onderwerpen gevoelsmatig benaderen. In juli 1948 behoorde Karel Appel tot de oprichters van de Nederlandse Experimentele Groep en in november 1948 was hij betrokken bij de oprichting van Cobra.

Karel Appel was vooral een doener. Hij had weinig op met de theorieën van Constant en anderen. De internationale doorbraak van Karel Appel begon rond 1953, toen zijn werk te zien was op de Biënnale van São Paulo. In 1954 kwamen er solotentoonstellingen van Appel in Parijs en New York. Appel was een veelzijdige kunstenaar die zich naast schilderen bezig hield met het maken van assemblages, beeldhouwwerken, het schrijven van gedichten en tegels. Karel Appel overleed op 3 mei 2006 en ligt begraven op het beroemde kerkhof Père Lachaise in Parijs.

Corneille

(Guillaume Cornelis Beverloo)

(1922-2010)

Met Karel Appel en Constant was Corneille medeoprichter van de Nederlandse Experimentele Groep (1948), die later dat jaar opging in de Cobra-groep. In 1950 vestigde Corneille zich in Parijs, waar hij deelnam aan verschillende tentoonstellingen. Een jaar later ondernam hij een reis naar de Sahara. De diepe indruk die de eerste kennismaking met de woestijn achterliet, vond zijn neerslag in een reeks schilderijen waarin de aarde werd afgebeeld als een door de zon verschroeid lichaam van zand en steen waarop slechts enkele dier- en plantsoorten overleefden.

Corneille trok in de daarop volgende jaren nog verder naar Zuid-Amerika, de Verenigde Staten en Midden-Afrika. In zijn doeken, vaak landschappen en steden gezien vanuit ‘vogelperspectief’, kwam meer beweging door de versterking van kleurcontrasten en compacte vormen. Vanaf de late jaren zestig krijgt Corneille’s werk (schilderijen, gouaches en tekeningen) een figuratiever karakter en treden de grote kleurvlakken op de voorgrond. In een lyrische stijl schildert Corneille wat hij gezien en meegemaakt heeft, visioenen van tropische landschappen en tuinen, bevolkt door planten, dieren en vrouwen. Inmiddels is Corneille uitgegroeid tot een van de populairste Nederlandse schilders van zijn tijd en geniet zijn werk een grote internationale bekendheid.

Christian Dotremont

(1922-1979)

Christian Dotremont, Belgische kunstschilder, schrijver en dichter. In de jaren dertig studeerde Dotremont aan verschillende scholen voor kunstonderwijs. In deze jaren schreef hij ook gedichten en een roman. In 1948 ontmoette Christian Dotremont de Deense kunstenaar Asger Jorn. Later was Dotremont één van de oprichters van Cobra. Hij bedacht de naam Cobra en was met Constant de belangrijkste theoreticus van Cobra. Dotremont en Alechinsky vormden de drijvende kracht achter de Cobra-beweging in België.

Dotremont werkte veel samen met schilders, onder andere Asger Jorn en Pierre Alechinsky, waarbij teksten en werken op doek gecombineerd werden, de zogenaamde Peinture-mots. In 1959 organiseerde Christian Dotremont de tentoonstelling “10 jaar na Cobra” in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Kenmerkend voor zijn werk is het gebruik van zijn eigen handschrift, om daarmee zelfverzonnen tekens in zwarte inkt te maken, de zogenaamde logogrammen. Een vorm van visuele poëzie.

Theo Wolvecamp

(1925-1992)

Theo Wolvecamp begon tijdens de oorlog te schilderen en bezocht van 1945 tot 1947 de Kunstacademie in Arnhem. Gedurende die periode hielden het Duitse en Vlaamse expressionisme hem sterk bezig. In 1947 vestigde hij zich in Amsterdam en na korte tijd in een kubistische trant gewerkt te hebben, ontwikkelde hij in 1947 een eigen wereld van spontaan neergezette abstracte tekens. Wolvecamp was in 1948 medeoprichter van de Nederlandse Experimentele Groep en raakte betrokken bij de Cobra groep. Tegen die tijd was hij al druk bezig met experimenteren. Zo gebruikte hij bijvoorbeeld zand in zijn doeken.

In 1949 verliet hij na de tentoonstelling in het Stedelijk Museum de Cobra-beweging, maar werd 1951 toch weer lid. Doordat Wolvecamp zeer kritisch was op zijn eigen werk, zijn vooral uit de Cobra-tijd weinig werken over gebleven. Wolvecamp vernietigde een groot deel van zijn schilderijen en schilderde andere later weer over. De buitenmens Wolvecamp, die nooit goed heeft kunnen aarden in de stad, keerde na het internationale Cobra-avontuur terug naar zijn geboorteplaats Hengelo. Vanuit een sterke beleving van de natuur werkte hij daar in afzondering aan een sterk persoonlijk expressionisme met karakteristieke vormen en kleuren, voortbouwend op de tijdens de Cobra-periode ontwikkelde symbolentaal van vlekken en strepen en wervelende lijnen.

Pierre Alechinsky

(geboren in 1927)

Pierre Alechinsky werd in 1927 in Brussel geboren. In dezelfde stad studeerde hij van 1944 tot 1948 aan de École nationale supérieure d’architecture et des arts décoratifs. Hij legt zich toe op boekillustratie, typografie en verschillende grafische technieken. Het jaar 1948 bracht hij grotendeels in Parijs door. Het jaar daarop ontmoette hij Dotremont. Hij was mede-organisator van de ‘ les ateliers du Marais’, het ‘Cobra huis’ een trefpunt voor veel Cobra kunstenaars in Brussel.

Hij reisde naar het buitenland om contact te leggen met andere Cobra kunstenaars. Hij nam deel aan de beide Cobratentoonstellingen, in 1949 en 1951. De laatste, gehouden in Luik, werd zelfs door Alechinsky georganiseerd. Hij hield zich in deze periode echter dusdanig bezig met de organisatie van allerlei Cobra-evenementen en met de redactie van het tijdschrift van de Cobrabeweging, dat hij zelf zeer weinig produceerde. Zijn productie kwam pas goed op gang na het uiteenvallen van Cobra. In de winter van 1951, vestigde hij zich in Parijs. Vanaf 1951 neigde zijn werk meer naar het expressionisme, waar het daarvoor vooral beïnvloed was geweest door het surrealisme.

Art Informel

(1945-1960)

Het Franse woord ‘informel’ dient in dit verband eerder als ‘vormloos’ dan als informeel te worden opgevat. In de jaren vijftig zochten kunstenaars van deze stroming naar een nieuwe manier om beelden te scheppen zonder gebruik te maken van herkenbare vormen, zoals hun voorgangers dat hadden gedaan, kubisme en expressionisme. Hun streven was erop gericht de geometrische en figuratieve vormen op te geven en een nieuwe artistieke taal te ontdekken. Ze bedachten vormen en werkwijzen die al improviserend ontstonden. Het werk van de art-informelkunstenaars is zeer gevarieerd, maar komt overeen in de toepassing van de vrije penseelvoering en de dikke lagen verf. Evenals het abstracte expressionisme dat zich in dezelfde tijd in Amerika ontwikkelde, is art-informel een zeer ruime begripsaanduiding waaronder zowel figuratieve als non figuratieve schilders gevat kunnen worden. Hoewel de stroming hoofdzakelijk in Parijs was gecentreerd, reikte zijn invloed over heel Europa en vooral in Spanje, Italië en Duitsland. Vertegenwoordigers: Alberto Burri, Jean Fautrier, Hans Hartung, Jean Paul Riopelle en Antoni Tàpies.

Jean Fautrier

(1898-1964)

Jean Fautrier was een Franse schilder en beeldhouwer uit de zogenaamde Art Informel, één van de bewegingen uit de jaren veertig en vijftig die zich afzette tegen de figuratieve schilderkunst en gekenmerkt werd door materiaal bewerkingen van het doek/linnen/papier alvorens daarop een schildering aan te brengen. Fautrier voelde zich niet aangetrokken tot het Kubisme of welke andere stroming die daar nog op volgde. Hij maakte grote indruk met aan oorlogsleed en executies ontleende series kleine schilderijen zoals Massacres en Otages.

De intensieve preparatie van het doek met lijm, zand en dikke verf waarmee hij mede de aanzet gaf tot de materieschilderkunst, verleende aan zijn stijl een mysterieuze allure. Jean Fautrier geldt als één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de stroming die bekend staat als tachisme of informele kunst.

Hans Hartung

(1904-1989)

Er is bij de schilder en graficus Hartung geen sprake geweest van een lange weg naar abstractie toe, zoals bij Kandinsky of Mondriaan. In de jaren dertig schilderde Hartung al abstracte en expressieve schilderijen. In de jaren ’40 bereikte hij als artiest zijn eigen volgroeide stijl, gekenmerkt door een samengaan van meedogenloze zwarte lijnen en delicate, oplichtende kleuren. Het doel daarbij was, zoals hij zelf zei in 1951 “that he acted on the canvas” om zo zijn eigen bewegingen vast te leggen.

Hartung behoorde tot de avant-gardistische groep der zogenaamde Art Informel kunstenaars in Parijs, die zich begin jaren vijftig wenste te ontworstelen aan de traditionele schoonheidscriteria van de belle peinture, zoals die door de École de Paris werden gepropageerd. Hartung werd vooral bekend door zijn doeken met bundels agressief neergezette “gekraste” penseelstreken, geïnspireerd door gravure-lijnen, die hij “psychische improvisaties“ noemde.

Antoni Tàpies

(geboren 1923)

Antoni Tàpies i Puig, markies van Tàpies, was een Spaans Catalaanse kunstenaar die zich vanaf 1943 aan het schilderen wijdde. Vanaf 1950 verbleef hij vaak in Parijs. Tàpies begon als surrealistisch kunstenaar en onderging de invloed van Paul Klee en Joan Miró, maar boog al gauw af naar het abstract-expressionistisch schilderen, eerst in de ‘Arta Povera’-richting, daarna met een spontaan handschrift in verf en veel symbooltaal; het Oosterse denken had daarbij invloed (kalligrafie). Zijn schilderkunst stond voor hem in het teken van het bewustmaken, zowel geestelijk als maatschappelijk.

Jean Paul Riopelle

(1923-2002)

Riopelle was een Canadese schilder en beeldhouwer. Riopelle studeerde aan de kunstacademie van Montréal. In 1945 sloot hij zich aan bij de in 1940 opgerichte kunstenaarsgroepering Les Automatistes van zijn leermeester Paul-Émile Borduas. Het was een groep dissidente kunstenaars uit Montréal, die sterk was beïnvloed door het surrealisme en de theorie van het surrealistische automatisme. Aan het eind van de jaren ’40 van de vorige eeuw trok hij naar Parijs.

Daar leerde hij vertegenwoordigers kennen van diverse kunststromingen, zoals het Surrealisme (in het bijzonder André Breton, wiens vertrouweling hij werd), het Tachisme en de informele schilderkunst. Alle stromingen hadden een grote invloed op zijn werk. Hij kreeg als bijnaam de ‘wild Canadian’ en cultiveerde die reputatie nog. Zijn stijl ontwikkelde zich naar het abstract expressionisme en action painting. Internationaal werd hij gezien als een van de vertegenwoordigers van deze stijl.

Les fauves

(de wilde dieren)

In 1905 ging de eerste groepstentoonstelling van deze Franse schilders door in het Salon d’Automne de Paris en verwekte meteen een schandaal. De kunstcriticus Louis Vauxcelles gebruikte de term “les fauves”, wat hen de bijnaam “Fauvisten” opleverde. Bij deze eerste groep waren o.a. Henri Matisse, André Derain, Albert Marquet, Georges Rouault, Maurice de Vlaminck en Kees van Dongen.

Aanvankelijk schilderen de meeste van hen nog in impressionistische stijl. Tegen 1905 keerden zij deze stijl rug toe en gebruikten felle, contrasterende kleuren in grote kleurvlakken. Vaak waren hun figuren met zware, zwarte contourlijnen afgebakend, wat de dieptewerking, en dus de illusie van een derde dimensie, vanzelfsprekend grotendeel teniet deed. Kees van Dongen was een van de eersten die deze stap zette en hij beef ook zeer lang zo schilderen.

Henri Matisse

(1869-1954)

Matisse werd aanvankelijk sterk beïnvloedt door de Impressionisten en de post-Impressionisten, voornamelijk door Pisarro, Cézanne, Van Gogh, Gauguin en Paul Signac. Matisse werd als een van de eerste kunstenaars beïnvloedt door primitieve kunst. Zijn favorieten thema’s waren vrouwen, stillevens en interieurs. Rond 1905 begon hij zijn eigen stijl te ontwikkelen, die gekarakteriseerd werd door gedurfde, heldere kleuren, uitgevoerd in brede penseelstroken. Hij schilderde stillevens en vrouwenfiguren in landschap en maakte frescoschilderingen in de kerk te Vence.

Matisse werkte lang aan zijn schilderijen. Na de Eerste Wereldoorlog had Matisse een grote reputatie opgebouwd als internationaal beroemd schilder. In 1917 verliet hij Parijs en vestigde zich in Nice. Matisse maakte niet alleen schilderijen maar ook muurschilderingen, etsen, ontwierp kostuums en boekillustraties. Matisse was leider der Fauvisten. In 1952 werd in Le Cateau-Embrésis het Musée Matisse geopend. Op 3 november 1954 stierf hij als een wereldberoemde schilder.

Maurice de Vlaminck

(1876-1958)

Maurice de Vlaminck verdiende aanvankelijk de kost als violist, muziekleraar en wielrenner. Daarnaast begon hij rond 1893 met schilderen, in het atelier van een plaatselijke kunstenaar. Een toevallige en inspirerende ontmoeting in de trein met André Derain in 1900 zou zijn leven verregaand beïnvloeden. De Vlaminck en Derain werden goede vrienden en deelden in 1900-1901 een atelier. De Vlaminck was een grote bewonderaar van Vincent van Gogh, waarvan hij samen met Derain in maart 1901 de overzichtstentoonstelling bij Galerie Bernheim-Jeune verschillende keren had bezocht.

Tijdens één van de bezoeken maakten De Vlaminck en Derain kennis met Henri Matisse en nodigden hem uit om in Chatou hun werk te bekijken. Maurice de Vlaminck ontwikkelde zich tot één van de Fauvisten, die tijdens de Salon d’Automne van 1905 beroemd werden. Het belangrijkste thema in het werk van Maurice de Vlaminck is het landschap aan de Seine en het Île-de-France. Na de Eerste Wereldoorlog schilderde hij ook veel op het platteland. De Vlaminck was een veelzijdige kunstenaar: naast schilderijen, prenten en gedichten, maakte hij ook keramiek en boekillustraties en schreef hij zijn memoires. Bovendien was hij een van de eerste verzamelaars van de Afrikaanse kunst, die veel invloed zou hebben op de ontwikkelingen in de schilderkunst en met name het kubisme.

Kees van Dongen

(1877-1968)

Kees Van Dongen studeerde aan de Rotterdamse Academie. Hij was veel te vinden in de haven, waar hij matrozen en meisjes van lichte zeden tekende. Van Dongen werd vooral bekend door zijn portretten en figuurstukken, maar hij schilderde ook enkele Hollandse landschappen. In 1897 verhuisde hij naar Parijs en in 1929 werd van Dongen tot Fransman genaturaliseerd. Aanvankelijk verdiende hij zijn brood als medewerker van de Revue Blanche.

Hij exposeerde bij Druet en Vollard. Hij deelde een atelier in Le Bateau-Lavoir met Picasso en zijn schilderijen zijn minstens zo kleurrijk en spannend. Onder invloed van Jasmy Jacob en anderen ontwikkelde hij een fauvistische stijl. Hij portretteerde in een onbarmhartige stijl met felle kleuren, maar dit bezorgde hem toch een grote faam in de mondaine kringen van Parijs.

Kubisme

Met het kubisme wordt bedoeld dat de vorm niet meer direct in verhouding staat tot de werkelijkheid. Het kubisme is daardoor een stap in de richting van de abstracte schilderkunst.

Pablo Picasso

(1881-1973)

Picasso kreeg al op jonge leeftijd les van zijn vader, die tekenenleraar was. Op zijn twaalfde ging hij naar de Lonja, een kunstschool, in Barcelona en daarna, in 1897 naar de Academia Real in Madrid. In 1900 reisde Picasso voor het eerst naar Parijs. Daar ontdekte hij nieuwe mogelijkheden op het gebied van kleurgebruik, vooral dankzij het werk van Van Gogh en Gauguin. Na de zelfmoord van een goede vriend, Casagemas, in 1901 werd somber blauw de dominante kleur in Picasso’s schilderkunst, tot 1904, de Blauwe Periode. Daarna schakelde de kunstenaar over op een warmer palet met roze tinten – de Roze Periode, van 1904 tot 1906.

In de zomer van 1906 verbleef hij in het afgelegen Noord-Spaanse dorp Gosol, waar hij zijn eerste stappen zette op de weg naar het kubisme. Geïnspireerd door Cézanne en Afrikaanse beelden experimenteerde hij met geometrische vormen. Eind 1906 begon Picasso aan een groot schilderij dat later bekend werd als Les Demoiselles d’Avignon, met daarop een groep prostituees met gedeformeerde lichamen en maskerachtige gezichten. De zomer van 1909 bracht hij door in het Catalaanse Horta de Sant Joan. Samen met Georges Braque ontwikkelde hij in de daarop volgende jaren het kubisme, waarbij zij het gebruikelijke perspectief verlieten en objecten vanuit verschillende gezichtspunten weergaven.

In 1912 maakten Picasso en Braque hun eerste collages, waarbij zij krantenknipsels en andere materialen in hun schilderijen integreerden. In 1917 bezocht Picasso Italië en werkte hij met Sergej Diaghilev aan het ballet Parade.

Vanaf ongeveer 1917 tot midden jaren twintig is het werk van Picasso traditioneler. Hij keert terug naar de figuratie; een periode die ‘neoclas-icistisch’ wordt genoemd. Daarna verschijnen bizarre, gedeformeerde en soms agressieve wezens in het werk van Picasso, die de invloed van het surrealisme laten zien. In 1937 schildert hij zijn beroemde schilderij Guernica, een aanklacht tegen de wreedheid van de oorlog.

Picasso bleef ook na de Tweede Wereldoorlog, tot aan het eind van zijn leven, onverminderd productief en innovatief. Hij maakte variaties op schilderijen van oude meesters, sculpturen in allerlei materialen en hield hij zich een tijd lang bezig met een voor hem nieuw terrein, de keramiek. Daarnaast was hij politiek actief: hij nam deel aan vredesconferenties en was vanaf 1944 tot aan zijn dood lid van de communistische partij.

Ferdinand Léger

(1881-1955)

Léger kunstschilder en beeldhouwer, was aan-vankelijk werkzaam als bouwkundig tekenaar te Parijs. Hij werd beïnvloed door Cézanne, Matisse en Roussaeu. In 1908 begon hij te schilderen. Léger, die geïnspireerd werd door de wereld van de machine en de techniek, gaf de mensen weer in monumentale cilinderachtige vormen met heldere kleuren. Met zijn werk uit zijn beginperiode hoort hij tot het kubisme. Hij ontwierp ook veel decors en kostuums, mozaïeken en glasramen naast litho’s, textiel en glasvoorwerpen.

In 1950 betrok hij in Biot een atelier om keramiek te maken, maar verhuisde in 1952 naar Gif-sur-Yvette. In hetzelfde jaar maakte hij een wandschildering in het gebouw van de Verenigde Naties in New York. Ondanks zijn nauwe verwantschap met het kubisme richtte Léger zich niet zozeer op de analytische defragmentatie van het beeldvlak, maar eerder op de ontvouwing van de kunst in uitbundige, pure kleuren en ritmes. In 1968 werd een museum en een groot deel van zijn werk aan de Franse staat geschonken.

Georges Braque

(1882-1963)

Braque was een Franse kunstenaar die samen met Pablo Picasso de grondslagen ontwikkelde voor het kubisme in de jaren 1908-1914. In 1908 vond Braque aansluiting bij de kunstenaarsbeweging Les Fauves. Hij was mede toonaangevend voor nieuwe richtingen in de moderne 20ste-eeuwse kunst. In het werk van Braque worden tegelijkertijd de kleuren minder sterk; hij gebruikt voornamelijk witte, bruine, en grijze tinten, met hoogstens wat olijfgroen of geel. Braque werkte ook met collageachtige afbeeldingen, net of bijvoorbeeld een stuk krantenpapier op het doek is geplakt, met teksten en al.

Braque schilderde graag stillevens met vruchten, muziekinstrumenten en flessen, waarbij hij ook letters en cijfers toevoegde. Na zijn kubistische tijd ging hij over naar het Franse landschap in een sterk vereenvoudigde schilderwijze. In Antwerpen schilderde Braque scènes van de haven. Vanaf ongeveer 1939 ging Braque ook beeldhouwen. In de jaren vijftig beschilderde Georges Braque het plafond van de Henry II zaal in het Louvre in Parijs en maakte hij gebrandschilderde ramen voor de kerk in Varengeville. Georges Braque kreeg in 1962 ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag een tentoonstelling in het Louvre te Parijs, waarmee hij de eerste levende kunstenaar was wie een dergelijk eerbetoon te beurt viel.

Joan Miró

(1893-1983)

Miró was een Spaanse kunstschilder, beeldhouwer, graficus en keramist van Catalaanse afkomst. Hij wordt gezien als een van de grootste surrealisten. Hij studeerde aan de School voor Schone Kunsten en de Academia Galí. Zijn werken zijn één van de meest originele van de twintigste eeuw. Met veel fantasie en verbeelding geeft hij uiting aan zijn motieven die een afspiegeling zijn uit het rijk van het geheugen en het onderbewustzijn. In 1920 verhuisde hij naar Parijs waar hij lessen nam aan de Académie de la Grande Chaumière en vriendschap sloot met Picasso, Max Ernst, Hans Arp en Magritte, en onder de invloed van het kubisme kwam.

Miró begaf zich in de juiste kringen, kreeg al snel erkenning voor zijn kunst en werd wereldberoemd. Zijn schilderijen, tekeningen en sculpturen werden in vele landen geëxposeerd. Het begin van de Spaanse burgeroorlog (1936-1939) was tevens het begin van Miró´s ´wilde periode´, waarin hij enkele van zijn meest choquerende, pessimistische en vertoornde schilderijen maakte. In 1958 ontwierp Miro een keramische muur voor het gebouw van de UNESCO in Parijs. Miro was vooral geïnteresseerd in beeldhouwen en keramiek, maar in 1945 nam hij voor het eerst in jaren toch weer een penseel in de hand. In de jaren vijftig probeerde hij met brons te beeldhouwen en muurschilderingen en straattekeningen te maken.

De werken van Joan Miró zijn gemakkelijk te herkennen dankzij zijn unieke stijl met felle kleuren en kenmerkende vormen. Thema en kleurgebruik veranderden echter naar gelang zijn stemming, die vooral beïnvloed werd door de politieke gebeurtenissen die hij meemaakte. Hoewel de meeste mensen Miró als een surrealist beschouwen, kan hij in werkelijkheid niet met één stijl geassocieerd worden, aangezien hij zijn hele leven verschillende stijlen uitgeprobeerd heeft.

Miró´s werk bleef niet beperkt tot galerijen, maar was toegankelijk voor iedereen, doordat Miró er de gebouwen en straten mee opfleurde. Een voorbeeld is Pla l’Ós gelegen aan Las Ramblas in Barcelona.

Bronnen:

Vollmer Kunstbücher Picasso, Eingeleitet von André Leclerc

Uitgeverij de Spaarnestad, Geïllustreerde encyclopedie

A. van Grevenstein, La Grande Parade, hoogtepunten van de schilderkunst na 1940

Boek: Kunst van de 20ste eeuw

Artcyclopedia

Wikipedia

Kunstbus

 

Schilderijen – Tentoonstelling

(klik op de afbeeldingen om te vergroten)

 

Jorn Asger

Tristesse Blanche 1958

Constant

Two Birds 1949

Karel Appel

Vrijheidsschreeuw 1948

Corneille

Asmara 1958

Christian Dotremont

Texte Incertain logogram, jaar onbekend

Theo Wolvencamp

Vrouw en vogel 1958

Alechinsky

Hommage a Ensor 1956

Fautrier

I’m falling in love 1957

Hans Hartung

Zonder titel 1955

Antoni Tàpies

American eagle 1953

J.P. Riopelle

Compositie over-all 1954

Henri Matisse

Nu Bleu 1 – 1952

M. de Vlaminck

Sleepboot op de Seine 1906

Kees van Dongen

Le Coquelicot 1919

Pablo Picasso

Les enfants 1956

F. Léger

La grande parade 1954

G. Braque

Atelier IV – 1952

 

J. Miró

Composition avec des cordes 1950

 

Op Internet zijn prachtige kunstwerken te zien en te downloaden!! Zo kunt u een eigen kunstverzameling aanleggen.

Musée de Montmartre

Musée de Montmartre  is gevestigd in : 12 Rue Cortot,  Metro Lamarck – Caulaincourt. Open: Dinsdag t/m Zondag,  Maandag gesloten.

www.museedemontmartre.fr          (Franse site)

www.stadsverkenner.com/parijs/   (Nederlandse site met heel veel informatie over Parijs)

www.frankrijk.nl/parijs                   (Nederlandse site: Reizen naar Frankrijk + veel informatie)

Ga naar het vervolg van dit hoofdstuk Kunst in de jaren 50

Terug naar het overzicht van de Jaren 50


X

We gebruiken cookies om er zeker van te zijn dat u onze website zo goed mogelijk beleeft. Als u deze website blijft gebruiken gaan we ervan uit dat u dat goed vindt. Meer informatie

Wij gebruiken cookies om ervoor te zorgen dat onze website voor de bezoeker beter werkt. Daarnaast gebruiken wij o.a. cookies voor onze webstatistieken.

Sluiten