Verhalen Overig 2



 

Hongerwinter

In de Hongerwinter van 1944 -1945 was ik 11 jaar. Wij, mijn moeder, vader en mijn 2 broers woonden ongeveer een uur lopen van de gaarkeuken. Mijn vader had een sleetje gemaakt met daarop een kistje en daar paste precies een etensgamelletje in. Ik moest dus al redelijk vroeg gaan lopen om op tijd bij de gaarkeuken te zijn.

Het had al enige weken gesneeuwd (de ouderen onder ons weten dat nog wel) en ik ging toen van huis om eten te halen. We hoefden niet naar school want die was gevorderd door de bezetters. Daar aangekomen moest je in de rij gaan staan tot je aan de beurt was. Dan moest je de bonnenkaart afgeven en werden er de bonnen afgehaald, waarna je dan 5 grote scheppen met soep kreeg, koolsoep.

En daarna moest ik dat hele eind weer terug lopen. Na ongeveer 10 minuten lopen lag er een berg sneeuw waar ik met mijn sleetje tegenaan kwam. De hele handel kieperde om en alles lag op straat. Er stonden enige huizen aan de weg en daar heb ik toen aangebeld en gevraagd om een lepel. En zo heb ik alles wat op straat lag weer in de gamel geschept.

Ik heb dit thuis nooit verteld, maar iedereen heeft er toch lekker van gesmuld. Dat waren toen barre tijden, maar we hebben het overleefd.

A.W. Tholenaars

9 mei 2010

Terug naar Verhalen


Wasmachine

In 1971 kochten wij een Philips wasmachine. Voor die tijd had mijn grootmoeder een snelwassertje die ik dan moest gaan halen met een bakfiets en dat was een ellende, want als ik dan thuis kwam, moest ik hem 4 hoog de trap opsjouwen, en als mijn vrouw gewassen had moest ik hem weer zo snel mogelijk terugbrengen.

Dus wij kochten een echte wasmachine. Zaterdag ‘s morgens stond er een auto voor de deur en 2 man probeerden de zware machine 4 hoog de trap op te krijgen, we hadden geen lift.

Na veel getob lukte het en hij werd geplaatst in het lavet. De monteurs moesten nog een wateraansluiting maken en een stopcontact aanleggen. Toen dit al was gebeurd zei de monteur: “Nou mevrouw U kunt nu wassen.” Maar wij moesten ‘s middags nog boodschappen doen, dus ze  zei” Nee dat durf ik niet, wij moeten nog weg.” “Nou mevrouw dat is geen probleem” zei hij “ik help U even en U kunt gewoon weggaan en als U terug komt dan is de was gepiept.

Zo gezegd zo gedaan wij weg. Na een uurtje of 2 zegt ze: “We gaan nu naar huis, want ik heb niet zo’n fijn gevoel over dat ding dat  staat te wassen.”

Nou je wilt het niet weten wat ons te wachten stond. We deden de buitendeur open en het water kwam van 4 hoog de trappen afstromen toen we de voordeur open deden. Boven liep het water in stromen de dorpel over. Ik ben dom genoeg zo in het water naar de stoppenkast gelopen en heb hem uitgeschakeld.

Wat is er achteraf gebeurd. De monteur was vergeten om de vervoersbeugel er uit te halen. Met wassen gaf dat geen probleem, maar met het centrifugeren ging de machine zo tekeer dat de waterpomp afbrak en niet alleen bij ons een ravage veroorzaakte, maar ook bij de benedenburen. Die waren op vakantie. Een dag later zag ik dat het behang bij de buren en daar weer onder los gelaten was en op de vloer lag.

Maar alles is toch nog goed gekomen. Zo zie je maar, ik had beter bij mijn grootmoeder het snel wassertje kunnen halen.

A.W. Tholenaars

9 mei 2010

Terug naar Verhalen


We hoorden een hond blaffen

Een paar jaar geleden was mijn vrouw en ik op vakantie in Zuid-Limburg, in de buurt van Vaals. Bij een alleenstaande oudere dame hadden we pension met ontbijt. Om ons heen een prachtig heuvelachtig landschap met uitzicht op dorpjes en verspreid liggende boerderijen. Vanuit de keuken hadden we een schitterend uitzicht over de omgeving. Prachtig die groene heuvels en de daarbij donker afstekend hoge struiken met daartussen landbouwgrond, waarop wuivend in de wind het goud gele graan en daarboven de blauwe hemel met hier en daar een mooi weer wolkje. Prachtig weer om in de middag een wandeling in het bos te gaan maken.

Na de lunch van heerlijk Duits brood en groentesoep, zaten we naast elkaar op een bankje op het terras vlak voor de keuken en genoten van het uitzicht. De zon stond hoog aan de hemel en er was geen zuchtje wind. Gelukkig zaten we al een beetje in de schaduw van hoge populieren, want het was anders niet uit te houden door de hoge temperatuur. Om de prachtige gele en rode bloemen zoemden en werkten de bijen voor de heerlijke zoete honing. Toen het eten bij ons was gezakt besloten we een wandeling te gaan maken, dichtbij was een bos en we gingen daar naar toe. Misschien was het daar wat koeler.

Toen we daar een half uur hadden gelopen over zanderige smalle paden tussen de de dennenbomen, hoorden we opeens zachtjes blaffen van een hond. We vonden hem met een riem vastgebonden aan de stam van een boom. We keken nog om ons heen of er misschien een persoon in de buurt was, maar niemand te zien. Dat vonden we wel vreemd. Het was een klein wit hondje, volgens mijn vrouw nog een pup. Ze zag er schattig uit en ze begon harder te blaffen toen ze ons zag. In mijn rugzak, die ik altijd meeneem als we gaan wandelen, zaten twee flesjes water en een paar gevulde koeken.

Mijn vrouw Dini zei: ”Ze zullen dat arme beestje toch niet hier achtergelaten hebben. Dat hoor je wel meer wanneer ze van hun hond af willen als ze met vakantie gaan. Ongelofelijk, dat ze dat kunnen doen. Breng dan je hond naar een dierenasiel, maar dat kost ze natuurlijk weer te veel geld.” Ik beaamde het natuurlijk en haalde mijn rugzak van mijn rug en pakte er een flesje water uit. Dat beest moest volgens mij erge dorst hebben met dat warme weer. Ik hield mijn beide handen als een kuiltje tegen elkaar en Dini goot er wat water in. Mij benieuwen of dat hondje het ging drinken.

Eerst was hij was schichtig en wilde niet drinken, maar spoedig overwon hij zijn angst en dronk al het water met veel geslurp uit mijn handen op. Kippenvel kregen wij hoe dat hondje ons zo dankbaar aankeek. Ook een stukje gevulde koek at hij graag op. Ik maakte de riem los van de boom en pakte het hondje op. Omdat we zelf geen hond bezitten en er ook geen verstand van hebben voor wat het ras betreft, zagen we, dat zijn rechter achterpoot bloedde. Gelukkig hadden we ook een paar rolletjes verband bij ons in de rugzak en hebben het pootje verbonden. Ik zei: ”Laten we maar weer teruggaan en bij de pensionhoudster de dierenambulance bellen.”

Nog een half uur lopen in de hitte met een hond in je arm die steeds van je af wilde springen valt niet mee, maar we hebben het om de beurt gered. De vrouw zag ons al aankomen en kwam naar buiten en zei met een medelijdende stem: ”Och wat een schatje, waar komt die nou vandaan ?” We vertelden haar, dat we hem in het bos aan een boom vastgebonden hadden gevonden en los hebben gemaakt en wat te drinken hebben gegeven. ”Jullie zijn schatten”, zei ze en ze nam het hondje van ons over en aaide het een hele tijd over zijn guitige kopje.

Ze heeft toen de dierenambulance gebeld. Na een half uur kwam de auto van de dierenambulance voorrijden. Twee stevig gebouwde vrouwen stapten uit en kwamen naar ons toe. Ik vertelde hun dat we het hondje in het bos hadden gevonden vastgebonden aan een boom.
”Dat komt vaak voor, vooral in vakantietijd. Schandalig gewoon”, zei één van hen. Toen ze het verband een beetje los maakte en de wond zag, zei de andere vrouw: ”Dat beestje hebben ze geschopt, ik zie het aan de verwonding. Hoe durven ze. We zullen hem meenemen en kijken of er een goed baasje voor hem gevonden kan worden.”

Wij werden vriendelijk bedankt en ze namen met het hondje afscheid van ons. Het beestje bleef ons steeds met zijn vriendelijke oogjes aankijken, totdat ze ons niet meer zag. Wij waren trots op onszelf, gelukkig een dier gered van de dood, dachten wij.

Ook de dagen erna als we weer in het bos liepen, dachten we geblaf te horen en keken we naar elke boom. Gelukkig is het niet meer voorgekomen.

Kees Niesse

30 april 2010

Terug naar Verhalen


Bijna verraden door een NSB’er

Het speelde zich af in 1942, toen ik elf jaar was en grote belangstelling had voor hoe de oorlog verliep. Mijn ouders woonden met hun vier zoons, waarvan ik de oudste was, in Amsterdam, aan de rand van de stad. De lagere school waar ik op zat was gevorderd door Duitse militairen, dus moesten de leerlingen naar een andere school. De soldaten die we tegenkwamen waren over het algemeen vriendelijk tegen de kinderen. Het enige wat ik van de oorlog merkte in die tijd waren de overvliegende vliegtuigen, waarop door de Duitsers geschoten werd. Vooral als het donker was zag je de zoeklichten door de lucht schijnen op zoek naar een vliegtuig en als ze er één te pakken hadden was het schieten geblazen. Soms vielen de scherven van de  granaten op de straat, die de jeugd de volgende morgen ging zoeken.

Wij hadden boven ons joodse buren, al een ouder echtpaar. Ze waren heel aardig en als ik bij hun op visite was kreeg ik een kopje surrogaat thee en soms ranja. Ik zie de buurman nog  midden in de kamer aan de grote tafel zitten, sigaretten te draaien van surrogaat tabak. Mijn vader was ook een verwoed roker en ik moest met mijn broer Gijs peukjes op straat gaan zoeken. Die maakte hij dan open  en van de tabak maakte hij weer sigaretten. Tabak was toen op de bon, maar daar had hij niet genoeg aan, hij was een kettingroker.  Ik herinner mij nog heel goed, dat iedereen een stamkaart en bonkaarten kreeg voor schoenen, textiel, melk en levensmiddelen. In de eerste twee jaren van de bezetting kreeg iedereen voldoende voedsel, ondanks dat het op de bon was.

Het is zelfs aangetoond, dat de mensen toen gezonder waren, omdat ze vooral minder vet kregen en daardoor bijna iedereen slank was. Om het verloop van de oorlog te kunnen volgen had je een radio nodig om de nieuwsberichten van Radio Oranje uit Londen te kunnen volgen. De Duitse nieuwsberichten waren er altijd op gericht, dat ze op alle fronten aan de winnende hand waren. Op de aanplakzuilen zag je jonge mannen afgebeeld, die zich hadden aangemeld bij de Waffen SS en achteraf heb ik gelezen, dat Nederland de meeste vrijwilligers heeft geleverd aan de Duitsers.

Het luisteren naar de Engelse zenders was ten strengste verboden, daarom moest iedereen, die een radiotoestel had, deze inleveren. Deed je dat niet, dan riskeerde je een hele zware straf. Mijn ouders hadden geen radio, wel radiodistributie. Dat was gewoon een luidspreker in een kastje en met een knop aan de muur kon je vier zenders zoeken. Twee Nederlandse, Hilversum 1 en 2 en twee Duitse zenders, met vaak marsmuziek en daar luisterde ik graag naar. Nu ik 78 ben luister ik nog graag naar marsmuziek, weet je.

Tot mijn grote verbazing kwam ik te weet, dat mijn vader toch een radiotoestel met lampen in zijn bezit had en dus avonds stiekem naar radio Londen kon luisteren.  Dat was heel gevaarlijk, want je verrader lag altijd op de loer. Je kon je eigen buren niet vertrouwen, want velen heulden met de bezetter. Bij ons aan de overkant woonden NSB-ers, dus moest je extra voorzichtig zijn. Hun kinderen liepen in  het uniform van de Jeugdstorm. Van mijn vader mochten we niet met hun spelen.

Als mijn jongere broertjes al in bed lagen zag ik vaak, dat mijn vader zich verstopte in een diepe kast en naar radio Oranje ging luisteren. Ik mocht van hem er niet over praten, en dat deed ik dus ook niet, veel te link.

Op een avond werd er tegen acht uur op de deur geklopt. Mijn vader schrok en verstopte snel de radio, die al aan stond en ik moest kijken wie er was. Gelukkig was het onze joodse buurman, maar voor hetzelfde geld was het de politie, want bij de politie zaten ook fouten. De buurman vertelde ons, dat hij in het half duister had gezien, dat een hem onbekend man dicht tegen onze deur stond en kennelijk probeerde wat op te vangen. Toen hij zich ontdekt voelde nam hij snel de benen. De buurman werd natuurlijk binnen gelaten en getrakteerd op een kopje surrogaat thee en een koekje.

Er brandde geen straatverlichting en de ramen moesten verduisterd zijn. Wanneer het nieuwe maan was, dan was het buiten echt pikdonker, je zag niks en je moest op de tast maar ergens zien te komen. Trouwens de bezetter had ook een spertijd ingevoerd en dat betekende, dat je avonds na een bepaalde tijd niet op straat mocht zijn, behalve dan degenen die een vergunning hadden.

Mijn ouders lagen al om tien uur in bed, want vader moest weer vroeg op, hij was toen tramconducteur. Ik was in die tijd gek op technische dingen en wilde zelf een radio bouwen, dus organiseerde ik onderdelen om een kleine ontvanger te bouwen in een sigarenkistje. In de openbare leeszaal vond ik een boek met een schema. Ik had nodig een spoel, een condensator, een buis en een koptelefoon. Voor een paar centen was daar wel aan te komen. Binnen een uur had ik met geïsoleerde draadjes  en een soldeerbout het toestel in  elkaar gezet en was ik uiterst benieuwd of er wat te horen was in mijn koptelefoon. Mijn vader had aan de achterzijde van de woning een lange draad als antenne naar de zolder gespannen, dus die sloot ik aan op mijn toestel en een andere draad aan de waterleiding.

Mijn hart bonsde in mijn keel, want het was al avond en ik hoorde me toch een hoop zenders in mijn koptelefoon, allemaal op de middengolf. Ik maar draaien aan de condensator en ving veel Duitse zenders op met muziek, maar ook Engelse en Franse zenders. FM uitzendingen bestonden toen nog niet. Elke avond in bed luisterde ik naar mijn radio, wat was ik daar blij mee. Ik kon toen niet de lange antenne van mijn vader aansluiten, maar een koperdraad van een paar meter was ook al voldoende, vooral wanneer het al donker was, want dan komt de radio veel beter door.

Kees Niesse

28 april 2010

Terug naar Verhalen


Stofzuiger

Ik zelf ben van 1943 uit een gezin van 14. De pastoor was de buurman op de rand van een fabriekswijk. In de Achterhoek, niets bijzonders zo’n aantal kinderen. Mijn moeder was 18 jaar en ik de eerste.

Ik schat dat ik ongeveer 12 jaar was toen er een vertegenwoordiger kwam en een stofzuiger demonstreerde. Zo’ n  rond geval van geschat 80 cm lang en 25 cm diameter. Doos vol met slang, buis en hulpstukken.

Hij begon met een klein hulpstuk en zou een plint schoonzuigen rond en nabij de kolenkachel.

Alles werd uitgelegd. Nou was mijn moeder a-technisch, dus dat duurde even. En toen kwam het moment. Een voet drukschakelaar, laat ik het maar noemen, moest in gedrukt worden dat deed ze, en ze schrok zo van de decibels dat ze wegvluchtte naar de buurvrouw en de goede man kon z’n bullen inpakken en vertrekken.

Ook onze televisie stoorde. De mast was gericht op de nieuwe televisietoren net achter Wesel, Duitsland, en stoorde regelmatig. Heel veel specialisten hebben het geprobeerd en na veel zoeken kwamen ze er achter dat de nieuwe lift van verpleegtehuis St anthonia in Terborg de boosdoener was. Ontstoren koste toen ook al veel geld. Het is daarna snel verholpen. Dit was  ongeveer 1960

W. Liebrand 

25 april 2010

Terug naar Verhalen


Voddeman

Als kinderen waren wij erg enthousiast als de voddeman door de straat kwam ( 1950-1960 ) (In Brabant noemde we hem de toddeboer). Als je oude lappen bij hem inleverde dan mocht je een speeltje uitzoeken. Die bestonden meestal uit een of ander ijzeren poppetjes of autootjes, die je kon opdraaien. We renden dan naar binnen om moeder om oude lappen te vragen, die op haar buurt het huis afzocht naar die “kostbaarheden” en desnoods een oud overhemd van vader kapotknipte (knopen eraf, die werden bewaard).

Jeanne Sibley-IJpelaar

Barrie ON Canada

via Loon op Zand , Noord Brabant

 

19 april 2010

 

Bijdrage Els van der Land

Vroeger toen ik kind was, geboren 1954, kwam bij ons regelmatig de voddenboer door de straat. Wij noemden hem in het Limburgs de ‘loempenboer’.

Hij reed met paard en wagen, klingelde met een bel en riep ‘loempen’. We hoorden hem dan al van verre aankomen en alle kinderen, we waren met drie, waren dan in rep en roer.

Als je lompen inleverde werden die gewogen en dan mocht je, afhankelijk van het gewicht, iets uitzoeken van de spulletjes achter op de klep.

Hoe ze het deed, deed ze het. Mijn lieve moedertje vond altijd wel iets en dat mochten we dan delen. Dan renden we naar de kar en wachtten vol spanning van welk gedeelte we iets uit mochten zoeken.

Voor de grote ‘kadootjes’ kwamen we praktisch nooit in aanmerking. Meestal kwamen we terug met zo’n pijltje met ijzeren puntje, waar je klappertjes in moest doen. Dat gooide je dan omhoog en als het de grond raakte dan knalde het ‘n keer. Of we kozen een rolletje klappertjes voor ons klappertjespistool. Een houten tol behoorde soms ook tot de mogelijkheden.

Een ding is zeker, als de loempenboer kwam, dan was het feest.

Terug naar Verhalen


Het heertje en het aquarium

 

Toen ik pas met vervroegd pensioen was maakte ik lange fietstochten. De kilometers die ik reed wilde ik steeds vermeerderen. Ik had een kilometerteller gekocht en ging er plezier in krijgen, want ik maakte soms ritten van 60 kilometer per dag. Daar ik voorheen nooit aan sport deed doordat ik werkte, ging ik dat eens even inhalen allemaal.

Ik nam dat twee boterhammen mee, met liefst een flesje water dat ik de avond ervoor in de koelkast had gezet. Ik deed dat flesje in een koeltasje en deed het tasje in mijn fietstas, daar bleef het heerlijk koud.

Als ik trek kreeg plofte ik zomaar ergens neer. Dit keer was het in Wassenaar in een zijlaantje waar ik een bankje zag staan. Ik pakte mijn brood plus het flesje en ging even onderuit zitten, want ik voelde wel altijd mijn achterwerk na een rit.

Toen ik net aan mijn boterham begonnen was kwam er een oud heertje met een wandelstok het laantje ingeschuifeld. Hij kwam naar het bankje toegelopen, groette en zei: “Vind u het goed dat ik erbij kom zitten ?”. Ik maakte een uitnodigend gebaar en schoof wat op. “Natuurlijk” zei ik. Hij draaide zich om en ik zag zijn kromme rug, waardoor zijn colbert van achteren vanzelf omhoog ging, omdat die bult daar ruimte nodig had.

Hij liet zich zakken naast mij op het bankje. Ik dacht dat ik zijn botten hoorde kraken, maar dat vond ik van mijzelf tocht wat overdreven. Hij zette zijn stok tussen zijn knieën, waarop hij leunde met twee handen er bovenop.

Terwijl ik aan mijn tweede boterham begon probeerde ik hem een beetje schuin op te nemen. Ik zag dat hij een keurig pak aan had, met overhemd, stropdas en een paar glimmende bruine schoenen. Hij had nog wat kleine krulletjes in een kransje in zijn nek, wat hem niet misstond.

Ik probeer zelf altijd mensen in te schatten en dacht zo van even boven de middenstand, een nette man.

Hij vroeg: “Smaakt het ?”. Ik zei ja en vertelde hem wat hiervoor al beschreven staat. Ik schatte hem toch wel een goede tachtiger. Ik werd, zoals ik altijd ben, een beetje nieuwsgierig naar alles om hem heen.

Ik vroeg: “Woont u in de buurt als ik vragen mag ?” “Nou,” begon hij, met een stem waar een kraakje in zat, “ik woon hier nog niet zo lang hoor, zeg maar een half jaartje denk ik. Eigenlijk sinds mijn vrouw overleden is zit ik hier in een verzorgingshuis. Ik kom zelf uit Haarlem. Ik vroeg gelijk: “Hoe komt u dan hier terecht ?” “Ik heb twee zoons. Die vonden dit het beste voor mij. In Haarlem was niet direct plaats.”

Het gesprek begon te lopen. Ik vervolgde: “Heeft u het naar uw zin daar ?” Hij antwoordde met een zucht: “Ik zal wel nooit wennen daar meneer, veel te stil daar voor mij, maar het is niet anders. Ik vroeg: “Doen ze daar niets aan leuke dingen voor de mensen, zoiets als kaarten, biljarten of Bingo ? Ik noem maar wat.” “Nou, kaarten vind ik wel leuk,” zei hij “maar ik krijg steeds ruzie omdat ik doof ben en steeds hè moet zeggen. Daar ben ik mee gestopt. Ik kijk wel bij anderen, dus kaarten, nee dat gaat niet goed.”

“Biljarten doet u dus ook niet ?” sprak ik weer. Hij zei: “Ik ken geen balspelen, maar dan ook geen enkele. Ik kan alleen goed met cijfers overweg. Boekhouder geweest mijn hele leven. Ik ben nu vierentachtig, maar rekenen gaat ook niet meer zo goed. Je gaat vergeten hè. Ik geloofde hem. “En Bingo laat ik ook maar zitten,” ging hij verder “want die mevrouw die dat bij ons doet kan ik niet goed verstaan. Dan heb ik steeds een valse Bingo. Dan zegt ze dat ik beter op moet letten, dus laat maar. Ik ga wel vaak voor het aquarium zitten kijken, dat daar stil in een hoekje staat. Ik sleep er een stoel voor en kan dan wel een hele poos naar de vissen kijken. Dat vind ik mooi.” Ik vroeg of dat aquarium groot was. “Wel meer dan een meter. Er zitten wel veel vissen in die helemaal krom zwemmen” zei hij “daar gaat er wel steeds een van dood. Die haal ik er dan uit met een netje, want het is niet leuk om naar dode visjes te kijken.” Ik vroeg hem : “Wie voert ze dan ?” “Dat doe ik sinds kort, want er kijkt niemand naar die beestjes om. Ik vind het mooi, echt waar.” Benadrukte hij nog. “Eens in de zoveel tijd” vervolgde hij “komt een man het aquarium schoonmaken, waaraan ik vraag over die kromme visjes. Maar dan zegt ie die zijn oud en dan lacht die man een beetje. Daar komen wel nieuwe voor hoor. Hij heeft soms een nieuwe bij zich, maar hij heeft weinig tijd die man.”

Hij vroeg ineens: “Kunt u kijken voor mij hoe laat het is ?” Hij hield zijn polsvoor mijn gezicht. “Half vier” zei ik. “O, dan moet ik opschieten, want wij moeten straks eten.” Hij ging weer met veel moeite overeind staan. “En na het eten zeker TV kijken ?” zei ik nog gauw. “Nou ik val altijd in slaap bij dat ding. Maar dat vind ik niet erg, want dan is het sneller ochtend snapt u.” Hij vroeg of ik daar wel meer kwam en ik antwoordde: “Zelden.”

Hij vond dat we gezellig gebabbeld hadden, groette zo van misschien tot nog een keer. Hij schuifelde het laantje uit. Voor hij de hoek om ging stond hij even stil, keek mijn kant op en zwaaide met zijn hand net boven zijn middel. Ik zwaaide gelijk terug. Ik kon hem niet meer zien. Ik liep naar mijn fiets en ging naar huis, maar ik onthield elk woord van die man. Gek vind ik dat van mezelf.

Een week of negen later fietste ik zonder erg weer in die buurt. Ik ging toch dat laantje weer opzoeken. Met veel moeite vond ik het terug, zette mijn fiets weer tegen dezelfde boom en ging weer op het bankje zitten. Ik keek naar de hoek van het laantje en dacht: “Wat zou het leuk zijn als hij de hoek om zou komen. Maar dat gebeurde niet.

Ik ging naar de grond staren om het hele verhaal van dat heertje de revue te laten passeren en ging dat aquarium vergelijken met dat bejaardenhuis. Ik zag de overeenkomst ineens. Die vissenbak staat stil in een hoekje. Niemand kijkt naar de visjes om. Die kromme zijn oud en gaan dood, maar daar komen weer andere voor in de plaats. Ik vroeg me af of er voor hem ook al een ander was geplaatst.

In gedachten verzonken pakte ik langzaam mijn fiets, reed via de Rijksstraatweg op het fietspad naar huis en liet de wind flink langs mijn gezicht waaien. Ik stopte het hele verhaal in het ladekastje van mijn hoofd, waar ik het nu ineens weer boven water haalde.

Harry Hoogerheyde

16 april 2010

Terug naar Verhalen


Als het Hollands Spoor kon vertellen

Het Hollands Spoor in Den Haag geeft bij velen een apart gevoel van nostalgie, wat betreft de glazen overkapping, met de buurt daaromheen, het Stationsplein, de Poeldijkse straat, vaak in  het nieuws, daar er altijd wel dingen gebeuren die het daglicht niet kunnen verdragen. Als je in die buurt bent lijkt het of de tijd is stil blijven staan. Als je goed oplet zie je daar altijd wel iets aparts.

De laatste keer dat  ik naar Amsterdam moest zat ik op het perron te wachten op de trein. Ik was wat te vroeg toen er een oud vrouwtje aan kwam lopen met een kaartje in de hand die heel nerveus naar de borden van vertrektijden liep te kijken, daarbij bevend mompelend: “Ik weet het niet, ik weet het niet !” Ik stond op, waarop ik vroeg of ik haar helpen kon. “Ik moet naar Amsterdam, maar weet niet of ik hier goed ben.” “Ja hoor”, zei ik geruststellend “gaat u maar rustig zitten. Ik waarschuw u wel.” Ze ging met een grote zucht van verlichting naast mij zitten en begon van: “Waar moet u dan heen ?” “Ook naar Amsterdam” zei ik. “Dan ga ik gelijk met u mee.” “Ik zei” “Ja hoor, we doen net of we verkering hebben.” “Ja”. zei ze “dat is leuk.”

Ze was zeker tachtig zo ik schatte, alle kleding die ze droeg zat verkeerd. Jas verkeerd geknoopt, twee verkeerde sokken, plus een gerimpeld gezicht dat, zo het leek wel, heel wat had  meegemaakt, wat mij  nieuwsgierig maakte.

Waarop ik vroeg: “Woont u in de buurt ?” Ze begon te vertellen dat ze in een bejaardenhuis woonde waar ze altijd hielp met eten opdienen en het best had daar. Een vriendje had ze ook daar vertelde ze. “Die wil verkering met me.” Hij mocht niet weten dat ze met mij op stap was. “Nee we zeggen niks” zei ik snel.

“Ik ga naar mijn zoon ging ze verder, ik blijf daar eten . Als het maar goed gaat zonder mij, want ze kunnen niet opscheppen daar.” Ik vroeg van: “Met z’n hoevelen zijn jullie dan ?” “Heel veel, maar die Henk die verkering met me wil hè, die knijpt altijd in mijn kont als ik opschep die stiekemerd.” “Dan moet je daar wat van zeggen” zei ik. “Ja maar dan doet hij het juist” zei ze. “Ik zei tegen hem als je dat steeds doe schep ik niet meer op. Ik wil  geen verkering  met een konteknijper.” Ik lachte van binnen. “Hij doet ook wel eens aardig tegen me hoor, dan haalt hij koffie voor me.” “Nou dat is toch wel leuk” zei ik.

Ondertussen kwam de trein aan, ze gaf mij een arm en we gingen een plaatsje zoeken. Zij wilde bij het raam. De hele weg heb ik naar haar zitten luisteren en ,ja nee en amen gezegd. Greetje was haar naam. Toen ik afscheid nam in Amsterdam zei ze nog vlug: “Jij bent geen konteknijper hè.” Ik lachte wat,  zei haar gedag , en dacht nog , als je zo oud bent en nog zo geestig , tel je best nog mee in deze snelle wereld.

Als ik nog eens naar Amsterdam moet denk ik nog vaak aan Greetje. Wat een heel leuk mensje was  dat, zeker weten.

Harry Hoogerheyde

15 april 2010

Terug naar Verhalen


In één dag een jaar ouder

Voor mij begon de tweede oorlog op tien mei negentienhonderdveertig. Een stralende dag. Mijn ouders en mijn zus waren heel vroeg opgestaan, want er moest sla gestoken worden. Die werd dan in houten kisten gedaan, en naar de veiling gebracht (mijn ouders hadden een tuinderij in Zwijndrecht).

Ik was nog maar zeven jaar, dus bleef ik gewoon in bed, te klein om sla te steken. Maar toch werd ik vroeg wakker, hoewel het nog maar een uur of vijf was. En ik werd wakker, omdat er buiten een hevig, vreemd onweer was. Althans zo leek het. Er waren vreselijke harde knallen, voor mijn gevoel vlak naast en boven ons huis.

Ik draaide me om en wilde verder slapen. Maar dat ging absoluut niet. Het lawaai was te hevig. Het raam van de zolder, want daar sliep ik, rammelde verschrikkelijk, en dat irriteerde me heel erg. Slaapdronken stapte ik uit bed en liep naar het slaapvertrek van mijn ouders. Die kamer had een deur, die op een platdak uit kwam, een soort terras.

Ik liep naar buiten en keek over het hek naar beneden. Daar stonden de familie en de buren druk met elkaar te praten: ik hoorde steeds het woord ”oorlog” en “Duitsland”. Zou er oorlog in ons land komen ?

Op dat moment besefte ik niet goed wat dat woord betekende. Oorlog stond heel ver van mij vandaan. Dat Duitsland in september vorig jaar Polen was binnengevallen, was grotendeels aan mij voorbij gegaan. Er was natuurlijk veel over gesproken en de kranten stonden er vol van, maar daar had ik niet zo’n belangstelling voor. Een jongetje van zeven jaar heeft heel andere dingen aan zijn hoofd, die speelt liever en begrijpt de gesprekken van de grote mensen niet altijd. Maar van nu af aan begon het woord “oorlog” inhoud voor mij te krijgen.

Ondertussen zag ik wel wat er aan de hand was toen ik daar op het terras stond en waar dat lawaai vandaan kwam. Grote vliegtuigen cirkelden rond boven ons huis, de tuinderij en daar achter gelegen weilanden. De harde knallen waren uiteenspattende granaten. Ze werden afgevuurd vanuit een nabijgelegen dorp en gericht op die vliegtuigen. Van al die herrie moest ik dus wel wakker worden.

En toen, na enkele ogenblikken, zag ik iets onvergetelijks: de lucht hing plotseling vol parachutes ! Nooit had ik zoiets gezien ! Een prachtig gezicht, dat wel. Maar wat had dat alles toch te betekenen ? Ik begreep al gauw dat er aan die parachutes mensen hingen, soldaten, Duitse soldaten ! Duitse soldaten ? Wat moesten die hier doen ? Ik snapte er niets van.

Maar daar zou ik in de loop van de dag snel achter komen.

Mijn zus was toen tweeëntwintig jaar en kraamverpleegster. Zij wist dus iets van E.H.B.O. en in haar naïviteit dacht ze dat er gewonden zouden zijn en voelde zich geroepen om te gaan helpen.

Dat ging dus niet door. Van mijn ouders mocht ze niet.

Hoe de reactie van mijn vader was, weet ik niet meer. Ik geloof dat hij stond te roepen: waar blijven de Engelsen nou ? En mijn moeder ? Die was min of meer in paniek. Ze had het op dat moment heel moeilijk. Want ik had een broer die soldaat was in het Nederlandse leger. Ik was erg trots op hem en zeer op hem gesteld. En nu ons land werd aangevallen door de Duitsers, betekende dit, dat hij moest vechten. Vechten tegen de vijand !

En het zou dus kunnen gebeuren dat…………………. Zouden we hem ooit levend terugzien ?

Pas later begreep ik hoe moeilijk het voor mijn moeder was op dat moment. En mijn vader, had die het ook moeilijk met zijn zoon ? Dat denk ik wel. Maar hij liet dat niet merken. Hij was altijd al een man van weinig woorden. En ik ? Was ik bang dat hij zou sneuvelen ? Het was voor het eerst dat ik dat woord hoorde. Ik besefte, geloof ik, niet hoe ernstig de toestand eigenlijk was. Begreep ik goed, wat er zou kunnen gebeuren ?

Ik kan niet precies omschrijven hoe toen mijn gevoelens waren. Ik denk, vrij oppervlakkig. Hoewel ik veel van hem hield. Vreemd eigenlijk, dat dit uit mijn geheugen is verdwenen. Of hebben kinderen andere emoties dan volwassenen ? (Later toen ik voor de klas stond, kwamen er soms kinderen naar je toe heel opgewekt vertellen: mijn Opa, (Oma) is dood, zonder een spoortje van verdriet.)

Inmiddels spurtte een agent op de fiets naar het weiland achter onze tuinderij, om polshoogte te nemen. Hij kwam al heel snel terug, zo wit als een doek en riep naar ons: “ ’t Is mis, oorlog”.

Snel kleedde ik me aan en even later stonden we met z’n allen op het terras.

Vandaar konden we goed zien wat de Duitsers deden. Het waren grote, sterke, kerels, echt mannen van een elite korps . Ze waren heel rustig en wisten precies wat ze moesten doen. Ze lieten hun parachutes liggen, groepeerden zich en begonnen onze kant op te komen.

Nu liepen er tussen onze tuinderij en de weilanden, waarop de parachutisten geland waren, vrij brede sloten. Zo breed, dat ze er niet overheen konden springen. Maar die belemmering wisten ze snel te nemen. Hier en daar stonden hekken. Ze trokken die hekken gewoon uit de grond, en fabriceerden zo een soort brug. Over sterke kerels gesproken ! Hitler stuurde niet zomaar wat soldaatjes !

Zo kwamen ze droogvoets op onze tuinderij.

In tegenstelling tot wat je zou verwachten, bleven ze keurig netjes op de paadjes. Ze banjerden niet roekeloos over het land. Ze pakten niets, vernielden niets, het waren gewoon nette kerels.

Zo, over onze tuinderij liepen ze naar de openbare weg, waaraan de huizen stonden, en liepen naar de spoorbaan. Later bleek dat ze opdracht hadden de bruggen over de Oude Maas die tussen Dordrecht en Zwijndrecht lagen, te veroveren. Die bruggen, een verkeersbrug en een spoorbrug, waren van cruciaal belang voor hen, want hier moesten hun troepen vanuit Brabant komend, over om Rotterdam in te nemen.

Een aantal van hen begon schuttersputjes te gaven en een paar liepen naar de huizen. Ook naar ons huis kwam een soldaat en belde aan.

Nu werd bij ons niet zo vaak aangebeld, op het platte land lopen de meeste mensen direct achterom. Maar als er dan eens gebeld wordt, is dat iets bijzonders. En dat was nu.

Gewoonlijk opende mijn moeder de deur, maar die durfde niet. Oei, wat moet zo’n vreemde soldaat van ons, en heeft die geen kwaad in de zin ? Dit was toch wel een heel spannend moment. Dus deed mijn vader de deur open. En één ding is zeker, hij was beslist niet bang. Mijn moeder en ik stonden achter hem, nieuwsgierig hoe zo’n soldaat er dichtbij uit zou zien, en volspanning wachtend op wat er nu zou gebeuren.

Wat mijn vader tegen die soldaat zei, herinner ik me niet meer. Maar ik weet nog heel goed wat die soldaat vroeg: “Wo sind wir ?” (Mijn eerste Duitse woordjes !) En mijn vader zei: “In Holland.”

En toen begon die stoere Duitse soldaat , hoe sterk en groot hij ook was, te huilen als een kind, en zei: {Wij komen uit Polen en Hitler heeft beloofd dat we naar “Moetie” zouden gaan, met verlof } .

Dit werd te veel voor mijn moeder. Waarschijnlijk zag ze in die huilende jongen haar eigen zoon.

Ze ging naar de schuur achter ons huis, en pakte een paar sinaasappels, en gaf ze aan die Duitse soldaat. Hij keek of hij water zag branden. Die had hij lange tijd niet gezien. Hij bedankte en pakte een zakmes. Hij drukte op een knopje, en pats, daar sprong het lemmet uit het heft. Zoiets had ik nog nooit gezien: een mes dat uit een heft sprong.

Maar toch lag daar het bijzondere niet in. Dat lag in het gebaar van mijn moeder; terwijl haar eigen zoon moest vechten tegen de vijand die hier aan de deur stond, gaf zij hem sinaasappels.

Waarom deed ze dat ? Uit medelijden ? Uit Bijbelse motieven, zo van: “hebt U vijanden lief ?”

Ik weet het niet. Ze heeft er nooit over gesproken en ik heb er haar nooit naar gevraagd.

En die soldaat ? Hoe heeft hij dat ervaren ?

Ondertussen hadden de Duitsers zich ingegraven en begonnen de aan val op de bruggen.

Ook hier lieten ze zien dat ze beschaafde mensen waren. Toen ze gingen schieten, waarschuwden ze ons naar binnen te gaan.

Of…. of….. hebben de sinaasappelen ……..?

 

(Herschreven naar: Mijn Verhaal)

G.J. Los

29 maart 2010

Terug naar Verhalen


De tijd van vroeger

Als kind,vlak na W.O. II kwamen we vanuit Singapore, waar we na de capitulatie van Japan mijn vader opzochten die in het Johore Hospitaal lag, naar Nederland met de Nieuw Amsterdam..

We woonden, uiteraard zou ik zeggen, in den Haag en ik reed elke zaterdag mee met de schillenboer. Samen met een vriendinnetje, die ik ook zo gek had gekregen. We sjouwden de trappen op en af om schillen en oud brood, hoewel dat er toen bijna niet was, op te halen. Aan het eind van de rit kregen wij een ijsje van Jamin. IJskoud ijs, dubbeldik ! Nu, dat was een feest !

In de winter mochten we voor een paar centen toverballen kopen. Ook bij Jamin.

We liepen ook mee met de orgeldraaier, luid de liedjes meezingend en rondgaand met het centenbakkie.

De voddenboer liep roepend van “Vódduuhh..” door de wijk. De marskramer sleet zijn borstels en bezems en wat hij nog meer bij zich had…

Je moeder was altijd thuis als je uit school kwam, dan stond de thee al klaar, met een Mariakaakje of een stukje van een reep chocola van Verkade of een Kwatta reep.

Buren van ons gingen vaak naar “Ome Jan”, de lommerd. Bij de kruidenier kon je “op de pof” kopen.

Badkamers hadden de meeste huizen niet, we gingen naar het badhuis. Dames en heren apart.

In de zomer gingen we met de tram naar Scheveningen en dan mocht ik “ezeltje rijden”. Er ging een fles al aangelengde ranja mee, een rolletje drop, een appel, boterhammen in een papieren zak. De fles ranja werd in een kuil in het zand ingegraven, zodat de drank lekker koud bleef.

We hebben 3 jaar in den Haag gewoond,toen gingen we terug naar Indië, omdat mijn vader opgeroepen werd om zijn oude werkgever te helpen weer e.e.a.op te zetten.

Eind 1951 moesten we helaas ons geboorteland voorgoed verlaten en kwamen we weer in Nederland wonen en pasten we ons weer geruisloos aan aan het leven hier, zo anders dan in de Gordel van Smaragd.

En zo zweven nog vele Indische Nederlanders tussen twee werelden. Maar ik verlang nog vaak terug naar de tijd dat het leven hier nog gezapig en gezellig was. Die weidse vergezichten. Aan de einder zag je alleen een hooiberg en een kerktoren, een molen, boomgaarden met appelbomen waar Bellefleurs aan groeiden of Sterappeltjes. In de wei liepen koeien met hoorns. Dat mooie polderlandschap, de schitterende heide, de rustige bossen met alleen het gezang van vogels. Als kind kon je urenlang zwerven door de bossen en de heide. Geen ouders die zich angstig afvroegen of hun kind wel veilig thuis zou komen.

Toen had je als kind ook de ruimte nog om op straat te spelen. Geen agresssiviteit, geen bedreigingen, je kende je buren en hun familie, zij waren weer vertrouwd me onze familie, het was gewoon…gezéllig.

Hèh…ik ben weer helemaal terug in de tijd !

Lucette Schotel

28 maart 2010

Terug naar Verhalen


De tonnenman

Wij hadden als laatste straat, nog de poepton. Deze werd 1of 2x in de week opgehaald van bovenaf en geleegd in een tonnenkar en daarna terug gebracht. De wc was een klein kamertje met een zitbank en een gat erin om erop te zitten.

Als klein kind heb ik eenmaal meegemaakt dat de tonnenman met ton en al van de trap viel, vreselijk als ik daar nog aan denk wat een lucht kwam daar van af.

Wij woonden in een straat tegenover het m.c.a. deze straat bestaat al geruime tijd niet meer.

Maar niet alleen de tonnen man kwam aan huis ook de olieman,deze kwam met een handkar met twee kleppen omhoog waar flessen op stonden waaruit je kon bestellen. De schillenboer kwam ook langs de deur en belde met een koperen bel om aan te geven dat hij in de buurt was. Had je schillen dan liep je met emmer naar buiten om het in een bak te gooien. Deze schillen werden opgehaald voor paarden, geiten en andere dieren.

Wil Mooijen

10 maart 2010

Terug naar Verhalen


Sinds ik in Holland ben

Sinds ik in Nederland ben, heb ik altijd rekening gehouden met de cultuur en gewoonten ervan. Maar gelukkig, ben mijn Italiaanse gewoontes niet helemaal kwijtgeraakt, zoals een grote schaal koekjes neerzetten op tafel als er visite is, en niet meteen als men er een koekje eruit heeft gepakt de koektrommel dicht wordt gedaan zoals dat hier, in Holland heel veel gebeurt.
Het automatisch bij dekken als er iemand tijdens etenstijd nog op visite komt, al deze dingen zijn de Nederlandse mensen niet gewend. Soms komen vrienden speciaal tijdens etenstijd op visite, niet alleen om te eten, maar ook om de vriendschap die voor ons Italianen zeer van belang is, te versterken. Ze geven je dan de gelegenheid iets te doen, waar je soms onbewust niet toe in staat bent of was.
Zo heb ik het altijd gevoeld. Deze familievriendschap mis ik nog steeds. Ik ben altijd op zoek geweest naar personen die me begrijpen, personen waarbij ik mezelf kan zijn, ik wil praten zonder dat iemand let op die fouten die ik maakt in mijn taalgebruik, ze moeten als het ware door mij taalfouten heen kijken.
Ik vind het jammer dat ik mezelf niet voor 100% kan uiten, puur omdat Nederlands mijn taal niet is, in het Italiaans kan ik veel dieper ingaan op onderwerp zonder enige moeite.

Ik zou mijn brieven daarom in het Italiaans veel langer kunnen maken omdat ik dan mijn verhaal perfect kwijt kan. Stel, je gaat emigreren naar Italië, 40 jaar later ga je een brief schrijven aan een persoon die veel voor je betekent en geboren en getogen is in Italië. Uiteraard moet je die brief dan in het Italiaans schrijven, omdat die persoon uiteraard geen Engels kan, helaas, je kent de Italiaanse taal niet vloeiend, ook al woon je al 40 jaar in dat land.

Weet je hoe moeilijk het is om je gevoelens te uiten in een taal, die je niet allemaal beheerst , zo voel ik me dus.

De jaren die ik hier in Holland slijt, heb ik mij altijd moeten aanpassen aan de gewoonten van het land, met de consequentie dat ik een stukje van mijn identiteit, heb verloren. Als ik met vakantie naar Italië ga, voel ik mij een vreemdeling, ben ik in Holland heb ik exact hetzelfde gevoel.

ik zweef tussen twee werelden in , soms vraag ik mezelf af: waar hoor ik??? en dan besef ik dat ik een wereldstaatsburger ben, ik hoor overal.

Marcello

4 januari 2010

Terug naar Verhalen


Mijn eerste camera

Mijn eerste ‘camera’ was de bekende Kodak (of Agfa daar wil ik afwezen) ‘Spreeuwenkast’ met hoekzoeker. Ik was 9, de oudste van ons clubje en werd naar de Apotheek gezonden door de wijkverpleegster om een hartmedicament voor moeder te halen, en kon gelijk wel even langs Hendriks die toen een filiaal op de nog gerenommeerde winkelstraat  Boxbergerweg in Deventer. Daar legde ik dan ‘dat volle ding’ op de toonbank en kreeg een ‘leeg ding’ weer mee terug voor 12 opnames, waar je dus het hele jaar mee vooruit kon !!!

Afijn, ik sta daar te wachten in de apotheek, sabbelde mijn dropje wat brave jongens kregen, en bekeek aandachtig de camera en bestudeerde de knopjes grondig. De Sluiterknop was bekend, ook het schuifje voor ‘zonnig’ en ‘bewolkt’ (het primitieve diafragma dus), maar waarvoor nu dat gele glaasje was ?

Opeens was er buiten een oploopje, er kwam een begrafenisstoet aan, de lijkauto voorop. Op het Noorderplein, precies tegenover de apotheek, gebeurde het ongelofelijke: De beide achterwielen waggelden en de wagen zakte door de kont, de klep ging open en de lijkkist schoof er half uit. In een reflex maakte ik een foto, en nog 1 met dat gele glaasje erop. Hoe het afliep weet ik niet meer, wel dat men thuis het verhaal uiterst betwijfelde.

Dat duurde tot een dag later er een ‘kraai’ aan de deur kwam in de Reinckenstraat en mijn vader opendeed. De man stelde zich voor, en vertelde dat iemand die op dit adres zou wonen een foto had gemaakt van een wat pijnlijk incident dat zich de dag ervoor had voorgedaan. Het was hem alles waard een jongeman van 9 die hier woonde te spreken te krijgen.

De man zat in de achterkamer aan tafel, de zwarte cilinder en handschoenen ernaast op het kleed en hij keek mij niet onwelwillend door zijn gouden brilletje aan. Daar zat ik, een gannef van 9, mager nekkie, sproeten en behoorlijk onzeker, want de man straal autoriteit uit. Hij haalde adem, en ik dacht: ‘nou komt het gedonder’, maar hij zei: ‘Jij was gisteren in de Apotheek nietwaar ? Mooi, je hebt daar een foto gemaakt, en die foto wil ik graag hebben, kompleet met negatief !’ Mijn vader was niet onzakelijk, dat zijn veel ambtenaren niet, en vroeg het naadje van de kous helemaal niet eens, hij vroeg wat het de man waard was… Die zei niets, ademde zijn bril en poetste deze uitvoerig. ’25 piek !’ zei ik opeens, waar ik het vandaan haalde snap ik nog niet. Dat was een sloot geld voor die tijd, 1957. ‘Dat is goed’ zei de man gelijk opgelucht, en mijn vader viel zowat van zijn stoel, want 25 gulden is heel wat meer als 10 cent zakgeld tenslotte.

(klik op de foto om die te vergroten)

Gelijk mocht ik meerijden naar de fotowinkel van Hakeboom in de stad, die hij goed kende, en ik ook, want hun zoon Appie zat bij mij op school en daar werd de film direct in het ‘sop’ gegooid. De man offreerde mij een Juliana pepermunt, hetgeen bij ons ‘kerkvoer’ heette, en we bezaten onze ziel in lijdzaamheid. ‘Daar is’tie dan!’ zei Hakeboom, nog met de stofjas aan, en legde een foto plus mapje op de toonbank met de negatieven. ‘Het negatief van deze afdruk?’ zei de ‘opperkraai’ en voor hij het envelopje had gaf men hem het negatiefje bereids in de uitgestoken hand. ‘Zo’ zei hij tegen mij, ‘Dat was het dan wel, hier je afgesproken honorarium jongeman, laat het niet weer gebeuren !’

Ter plaatse kocht ik een Achfa Clack met Clibo flitser, 2 filmpjes en 2 doosjes lampjes, en hield nog Fl 4,85 over ! De entree thuis was natuurlijk ‘tetereteeee boem boem’ toen ik thuis aankwam, overigens lopende. En vanaf dat moment was ik gewoon ‘fotograaf’. Ik heb dat beroep nooit bewust gekozen, ik werd het gewoon zomaar die dag.

Maar er is nog wat heel aardigs.. Jaren later ruim ik diverse dingen op, en opeens heb ik dat mapje weer in mijn handen ‘Foto Hendriks’ en voel dat er nog negatieven in zitten. Als ik ze eruit haal blijkt dat ik -ze tegen het licht houdende- een negatiefje zie van een auto met een kist eruit… Een Dejà Vu, alles komt bovendrijven, ook hoe er een tweede 9×6 kon zijn. Ik had namelijk -voor alle zekerheid- de film doorgedraaid tot cijfertje 2 onder het rode venstertje kwam, het schuifje met zonnig en regen op geel gezet, en nog 1x geknipt (gekiekt..) Een onbedoelde fraude, maar zelfs na 52 jaar kan ik dit negatief niet vrijgeven voor deze site, want beloofd is beloofd…………..
 

Ian Ulfmann

23 november 2009

Terug naar Verhalen


(Onze kleinkinderen noemen ons Oma Dino en Opa Camper. Wij hadden 3 dieren, maar onze hond Dino is helaas naar de dierenhemel.)

(Wij hebben nu nog 1 poes en 1 kat, Simba en Speedy)

Simba wil graag een witte Kerst

Bbrrrr, wat werd het koud buiten zeg, je kon nog zo hard rennen, maar het bleef koud. Simba sprong van de schutting op de grond en begon direct te gillen: “mauw, help help help, dit doet zeer” gilde Simba keihard. Waarom kwam nou niemand haar helpen, haar pootje deed echt heel erg zeer. Simba tilde haar pootje op en schrok heel erg, haar hele pootje zat vol bloed en het drupte zo op het gras. “Auw mauw auw “gilde Simba. Nou deed het ook erg zeer, maar van dat bloed schrok Simba toch wel heel erg. Harder en harder gilde Simba. Ze hoopte maar dat er snel iemand kwam, want lopen durfde ze niet meer. Na een paar minuten hield Simba op met gillen, er kwam helemaal niemand. Voorzichtig hinkte ze op drie pootjes verder. Tjonge dat was een eind lopen naar haar huis zeg ! Ging ze eigenlijk altijd zo ver ? Haar pootje ging steeds meer pijn doen en overal lagen kleine druppeltjes bloed. Toen ze bij haar eigen huis was ging ze heel hard mauwen. Ze ging voor het raam zitten bij de achterdeur en miauwde heel hard. Ze zag dat oma Dino opstond om de deur open te doen en ze hinkte voorzichtig naar de deur toe. Simba kon niet snel genoeg opzij springen. Ze kreeg de deur keihard tegen haar kopje en ze vloog wel een meter door de lucht. Speedy zat direct op haar knieën naast Simba. “Simba !! wat is er gebeurd ?” Nu was Simba een beetje boos, ze had al zo’n pijn aan haar pootje en nu deed haar kopje ook nog zeer. Heel boos begon ze dat uit te leggen “mauw miauw mauw mauw maaaaaaaaauw ” en ondertussen begon ze haar zere pootje te likken. Bah, wat smaakte dat vies. Oma Dino kwam heel vlug aanrennen en ging ook bij Simba zitten. “We moeten maar direct met Simba naar de dierenarts” zei Oma Dino. “Arme Simba, dat doet vast heel erg pijn.” Simba vertelde dat haar pootje en haar kopje pijn deden, maar Oma Dino tilde haar op en nam haar mee naar binnen. “Speedy ga jij je dekentje eens halen” zei Oma Dino “dan doe ik snel een handdoek om haar pootje en kunnen we Simba lekker op de deken leggen in de auto. “MaarOma Dino dat mag helemaal niet van de politie” zei Speedy. “Simba moet in een mandje hoor, straks krijgen we een ongeluk en vliegt Simba door de hele auto heen.” Oma Dino zei dat Speedy gelijk had, maar vroeg of ze dan het dekentje toch wilde halen en in het mandje wilde leggen. Toen Simba lekker warm op het dekentje lag deed Oma Dino het mandje dicht en gingen ze met zijn allen naar de auto. Eigenlijk was het best wel een beetje leuk al die lieve dingen dacht Simba. Lekker met Oma Dino in de mooie gele tweety auto meerijden. Speedy gaf Simba kopjes en likjes door de tralies heen en aaide met een pootje haar kopje. “Doet het heel erg zeer Simba ?” vroeg ze. Simba probeerde zo zielig mogelijk te mauwen, natuurlijk deed het echt zeer wat dacht ze dan? Oma Dino zette de auto uit en tilde het mandje met Simba erin uit de auto. Snel liepen ze naar het huis van de dierendokter. Aan de mevrouw die de deur open deed vertelde Oma dat ze poes Simba bij zich hadden die heel erg bloedde aan haar pootje.

De deur ging direct verder open en snel liepen ze door naar de kamer van de dierendokter. Speedy maakte het mandje open en Simba kroop eruit. De dierendokter keek eens naar het pootje. Ze aaide Simba over het kopje en legde ondertussen uit dat het pootje gehecht moest worden. “Wat is dat hechten ?” vroeg Speedy nieuwsgierig. “Dan gaan we de stukjes vel weer aan elkaar naaien en dan stopt het met bloeden”, vertelde de dierendokter terwijl hij een prikspuit pakte. “Oh jee”, dacht Simba “ik wil geen prikje dat doet heel erg zeer, dat kreeg spoekie van de buren verderop in de straat altijd in het asiel en ze heeft mij verteld dat het helemaal niet leuk is die spuitjesprik.

“Simba sprong op de grond en kroop onder de kast. Daar begon ze heel hard te blazen tegen de dierendokter. “Och ik zie het al” zei de dierendokter. “Deze poezenmevrouw heeft vast al vaker prikjes gehad en wil dat niet meer, ik zal haar eens een snoepje geven.” Hij hield het snoepje voor de neus van Simba. “Nou die pak ik dus echt niet”, dacht Simba. “Straks pak ik het snoepje en dan pakt zij mij en dan krijg ik toch nog een prikje.” De dierendokter gaf het snoepje aan Speedy en zei dat Speedy dan het snoepje maar aan Simba moest geven. Speedy hield het snoepje voor Simba haar neus, Simba rook eraan en at het toen maar op. Was toch ook best wel een lekker snoepje. Na een poosje werd Simba helemaal slaperig en haalde de dierendokter haar onder de kast uit. “Snotverpoezie”, dacht Simba “ik ben helemaal slap, mijn pootjes doen het helemaal niet meer.” De dierendokter gaf Simba een prikje (wat ze bijna niet voelde) en pakte een rare kromme naald met een draad erin. “Zo”, zei zij “ik ga je pootje even naaien en omdat ik je een prikje heb gegeven voel je er helemaal niets van.” Simba voelde inderdaad niets en werd al snel weer in het mandje gelegd. Terwijl Oma Dino geld betaalde legde de dierendokter aan Speedy uit dat Simba een kapje om haar hoofd moest omdat ze anders alle draadjes eruit zou gaan trekken en dat Speedy een beetje op Simba moest letten dat ze niet aan de draadjes zou gaan zitten knabbelen en kreeg als beloning ook een snoepje van de dierendokter, maar natuurlijk wel een snoepje zonder verdoving en Simba kreeg er natuurlijk ook eentje. Toen ze buiten kwamen was alles wit. “Oma Dino, het heeft gesneeuwd !” riep Speedy. “Wow” dacht Simba, kon ze lekker in de sneeuw spelen……… “Nou” zei Oma Dino “dat is dan wel vervelend voor Simba, ze vindt sneeuw zo ontzettend leuk en nou kan ze niet eens naar buiten.” “Waarom dat nou niet” dacht Simba, dat was toch ook niet eerlijk, sneeuw was zo ontzettend leuk om in te spelen en ze vond dat ze nu wel iets leuks had verdiend na al die vervelende dingen. “Denk erom dat Simba nu niet naar buiten mag Speedy”, zei Oma Dino “als er nu viezigheid in de wond komt dan gaat het heel erg pijn doen en dan wordt Simba misschien wel heel erg ziek. ” Verdrietig keek Simba door de tralies van het mandje naar buiten. Ze wilde zo ontzettend graag in de sneeuw spelen, dat was niet eerlijk. Terwijl ze in de auto zaten, sneeuwde het heel erg hard. Toen ze thuis kwamen lag er al een heleboel sneeuw. Simba keek ernaar en begon een beetje te huilen. “Mauw , ik wil buiten spelen, mauw mauw.” Pas toen ze binnen waren deed Oma Dino het mandje open . Ze had de buitendeur al op slot gedaan. Heel verdrietig ging Simba op de vensterbank zitten en keek naar buiten waar Speedy lekker aan het rollebollen was in de sneeuw met de andere poezen uit de buurt. “Ik vind het heel vervelend voor je Simba, maar je mag niet naar buiten, dan word je pootje nog zieker en nou moet je ook nog een kraag om”,  zei Oma Dino terwijl ze Simba een soort lampenkap om haar nek deed. Simba vond zichzelf super zielig en begon dan ook heel erg hard en zielig te miauwen. Oma Dino begon Simba te aaien en kusjes te geven en ook Opa Camper die net thuis kwam aaide Simba. Oma Dino legde aan Opa Camper alles uit en hij vond Simba ook heel erg zielig. Toen iedereen ‘s avonds naar bed was ging Simba eventjes met Speedy praten en vertelde hoe zielig ze wel niet was, maar Speedy wilde helemaal niet naar Simba luisteren. Ze had de hele middag in de sneeuw gespeeld en ze was heel erg moe. Boos klom Simba op de bank (wat een lastig ding zeg die kraag ze stootte overal tegen aan). “Ik wil ook in de sneeuw liggen”, dacht ze. “Het is echt niet eerlijk.” Boos gaf ze een hele harde klap tegen het kussen. Oeps nu zat er een gat in het kussen, “nu zouden ze morgen wel heel erg boos op mij zijn” dacht Simba. Nou ja dan kon ze nog wel een klap tegen het kussen geven een beetje kapot of heel erg kapot maakte ook niet zoveel uit. Toen Simba nog een klap gaf vielen er allemaal veertjes uit het kussen. En Simba gaf nog een klap en nog een klap en nog een klap. De hele bank was wit van de veertjes. “Hè, het lijkt wel sneeuw”, dacht Simba. Ze begon tegen de andere kussens aan te slaan. Zo hè, dat ging goed zeg, nu was ook de grond onder de bank helemaal wit. Maar dit was fijne sneeuw, hij was niet koud en niet nat. Simba gooide met haar pootjes alle veertjes in de lucht en de veertjes vlogen alle kanten op. Toen Speedy ‘s morgens wakker werd zag ze Simba lekker slapen op de bank. Overal lagen veertjes. Snel maakte ze Oma Dino en Opa Camper wakker. Eigenlijk was Oma Dino wel heel erg boos, Opa Camper kon er wel om lachen maar het was wel een enorme rotzooi overal en alle kussens waren kapot. Maar terwijl Simba door een spleetje van haar ogen keek hoorde ze Oma Dino zeggen “Heeft Simba toch nog een witte Kerst.”

Rien van Dijk

2 mei 2009

Terug naar Verhalen


Oorlog 1944

Het was zondag 17 september 1944. Mijn vader Bert lag ziek in bed. Hij had pleurus/fijt onder de leden. Het was in het dorp Nijnsel. De serene rust werd opeens op die zondag morgen verstoord door vliegtuigen die over vlogen. De lucht veranderde opeens in een zilverkleurig aanzicht, wat er gebeurde dat wist ik  niet want ik was nog maar acht jaar oud. Ik liep met mijn moeder over het hofpad dat leidde naar de boerderij van Janus en Dineke. Voor de boerderij stond Jantje, vrijgezel, zijn pijpje gevuld met heggenbladeren te roken.

Dina zei: “Kom maar in de schuilkelder.” Maar mijn moeder was erg onrustig, ze wilde naar vader die ziek op bed lag. Toen we thuis kwamen stond er voor onze schuilkelder een Duitse soldaat. Hij was van het doodschoppenregement, want op zijn spitse pet stond een doodschop.

Hij vroeg aan mijn moeder of ze bang was. Mijn moeder was altijd bang in de oorlog. Ik wel zei mijn moeder. Ich auch, zo sprak het kindsoldaatje, want hij was denk nog maar 16 jaar. Op zijn koppie stond een spits petje. Daar stond een doodschop op. Mijn vader Bert lag nog ziek op bed. Had bezoek gehad van een kennis, een boerke, die woonde in het dorp. Opeens werd er van alle kanten geschoten. Het boerke moest het Duitserke achter op de fiets naar het dorp brengen. Met een fiets waar vobanden op lagen, gemaakt van volrubberen banden van tanks. Die werden op formaat gesneden. Het was een hachelijk avonduur. Er werd links en rechts flink geschoten. Even later hoorde tanks vanaf het dorp Nijnsel, richting de toenmalige steenfabriek rijden.

Mari Oerlemans

7 oktober 2008

Terug naar Verhalen


Oma’s Paraplu

(klik op de afbeelding om te vergroten)

Mijn grootmoeder was nog een echte oma, ze is bijna 40 jaar geleden overleden. Maar ik kan haar nog heel goed voor de geest halen. Een lieve dame met haar haren altijd in hetzelfde knotje, kleine dikke handen, die hard hebben gewerkt. Ze woonde in een groot huis helemaal alleen. Ze heeft nog wel een kostganger gehad. Die is op latere leeftijd toch een vrouw tegen het lijf gelopen. Zelf was toen al in de zeventig en begon er niet meer aan.

In het huis was een keukentje met een plattebuiskachel en daar kookte ze en bakte brood. Wie jarig was kreeg een krentenbrood. Met een blauwgeruit schort voor zie ik nog hoe ze het brood stond te kneden. Het moest rijzen en dan weer kneden en rijzen, ging het in de oven, open vuur. Prachtig.

Ik kwam er graag. Oma was heel gelovig en ging ook doordeweeks elke dag langs bij onze Lieve Heer in de Catharinakerk in Eindhoven.  Op een goede dag kwam ik haar tegen. “Ga je mee ?” Dat wilde ik wel.

In kerk gingen we eerst naar OLV van Altijddurende bijstand. Oma stak een kaarsje op en ik kreeg ook een dubbeltje voor een kaarsje. “Voor wie wil je dat opsteken ?’’  Ik wist het wel: “Voor papa, voor mama, voor mijn zusje, voor ome Willem in Afrika”.

Ze bad een tientje van de rozenkrans en ik moest mee bidden.  We waren klaar en gingen nog even lang de H. Gerardus.  Want oma had grote verering voor hem en ging ook mee met de bedevaart naar Wittem. Dat was voor haar een wereldreis. Ze is zelfs zes weken bij ons in Rotterdam geweest toen mijn zusje werd geboren. Dat was een ontdekkingsreis in zo’n grote stad. Waar ook heel de dag geheid werd vanwege de opbouw na de oorlog.

Nog even langs de Heilige Jozef met het kindje Jezus.

Opeens zei ze: ”Marianneke ik moet ook nog even naar de Heilige Antonius.” “Waarom oma ?”

“Ik ben al een paar dagen mijn paraplu kwijt. Misschien weet hij wel waar die is.” Samen stonden we voor het beeld. En oma zei: “Heilige Antonius, lieve vriend, maak dat ik mijn paraplu weer vindt.”

Samen de kerk uit, nog even naar bakker Verhoeven op de markt voor gist, naar slager Cleven voor een kotelet (karbonade), naar Pietje Snep voor boontjes en weer naar huis. Ze deed de deur open en we gingen naar binnen. En wat stond er in een hoekje van de gang achter de paraplubak… jawel.  De paraplu. “Dankjewel Heilige Antonius,” zei Oma.

En geloof het of niet, als ik iets kwijt ben: ”Heilige Antonius……….”

Marianne van Hasselt

9 augustus 2008

Terug naar Verhalen


55+ en op vakantie naar Canada?

Veel 55+ willen een keer naar Canada .Wij zijn nu de vijfde keer naar Canada geweest en willen graag onze ervaring, vooral voor diegene die de eerste keer willen gaan, met hen delen.

Ons reisverslag

Truus en Ton te Nijenhuis maakten in 2007 inmiddels hun vierde reis naar Canada. Hierbij het reisverslag van de camperreis door Alberta, British Colombia (Canada) en Yellowstone / Grand Teton (Amerika.) juni 2007.

We hadden het plan opgevat om dit keer niet alleen Canada te doen, maar ook een klein deel van Amerika mee te nemen. De Rocky’s stoppen n.l. niet bij de grens van Amerika. Om geen langdradig reisverslag te maken zullen we zo beknopt mogelijk het een en ander op papier zien te krijgen. Geboekt bij Travelhome, Camper C-30 van Cruise Canada (C.C.)  3 t/m 22 juni 2007.

We hadden bij Travelhome gemakshalve ook maar een overnachting geboekt bij het Ibis hotel, dicht bij Schiphol, om lekker uitgerust te starten met onze vakantie. (Parkeren is overigens maximaal 21 dagen gratis).

Met Martinair ging het op weg naar Calgary, met een tussenstop in Edmonton. Hier moesten we uit het toestel, koffers ophalen van de transportband, naar de douane voor inklaring (ging behoorlijk snel), koffers weer wegbrengen en weer inchecken (zelfde stoel). De redenen hiervan is dat Edmonton de eerste aanvlieghaven in Canada is.

We werden opgehaald door de shuttle van Travelodge in Calgary en naar het hotel gebracht. En wat dacht je wat, naast Travelodge zit C.C. verhuur. Dat is dus gemakkelijk.
 
Na een goede nachtrust en een lekker ontbijt, de kamer afgesloten met het bordje “niet storen”, zijn we door de berm naar C.C. gewandeld (nee trottoirs hebben ze daar nou net niet). Campers op voorraad? Je weet niet wat je ziet, honderd is niets. Na een snelle incheck voor een C30 (de video met de uitleg hoefden we niet te zien), met de camper naar het hotel gereden en daar rustig uitgecheckt en de koffers naar de camper gebracht. Eerst even bij Safeway langs (routekaartje krijg je van C.C. mee) om voor een paar dagen etenswaar in te slaan. We hebben al jaren een klantenpas van Safeway en laat nou net vandaag de klantendag zijn, op de boodschappen krijg je op veel artikelen al korting, maar vandaag nog weer extra korting, benzine getankt en hier kregen we ook nog 14 cent korting. Al met al een goed begin van de vakantie.

En dan op weg richting Waterton via de 40, want de 22 was een saaie weg hadden we ergens gelezen. Mooi niet dus, de 40 was tot 15 juni afgesloten en dus toch maar de 22 genomen. Inderdaad een mooie maar saaie weg, helaas niets aan te doen. Nog ongeveer 1.000 km te gaan naar Yellowstone.

Net voor Waterton begint het te regenen, te gieten, te hozen en wat al niet meer, echt noodweer. Zo erg werd het op een moment dat we moesten stoppen. Bij een tankstation (het water kwam ons als een rivier tegemoet) zagen we een Mall achter het tankstation. Lang wachten had ook al geen zin, dus door de geweldige regenbui rennen naar de Mall. Hier werden we met applaus begroet door alle klanten die binnen stonden te wachten tot het wat minder zou gaan regenen. Na een lekker kop koffie in de Mall hield regen op en konden we onze weg voortzetten naar Waterton Springs Campground, net voor de ingang van het park.

Het weer in Waterton en Glacier werd er niet veel beter op en we besloten toch maar door te rijden richting Yellowstone. Via de 89 naar beneden, was het plan. Maar deze binnenweg waar je weide na weide zag besloten we via de 2 naar de autoweg 15 te gaan en vandaar door naar beneden. Wat een verademing de 15, net onze snelwegen, maar dan iets anders. Zo nu en dan werden we ingehaald en zo nu en dan zagen we op de andere zijde van de autoweg een auto of vrachtwagen. Alleen al de rust die dit geeft, cruisecontrole aan en maar tuffen en niet in slaapvallen bij de lange rechte wegen (veel gedenkkruizen langs de weg geeft het gevaar van de geestdodende wegen aan).

We stopten in Conrad Montana op zoek naar een Campground. Hier vonden we de Pondera RV Park. Vrij vertaald stond hier een bord: “zoek maar een mooie plek, registeren komt later wel”. En daar kwam tegen vijf uur een MG met een motorkap hoogte van circa 1,50 hoog, 4 x 4 aangedreven. De bestuurder, oeps de bestuurster stapte uit en kwam ons welkom heten en vroeg of we mee wilden komen te registreren. Mevrouw was 81 jaar! , wist waar Nederland lag (ook al bijzonder dachten we), maar toen kwam de aap uit de mouw. Mevrouw was geboren in Wales en was bij de invasie in Normandië geweest en daarna getrouwd met een Amerikaan.

De volgende morgen op weg via de 15 richting Helena en vandaar via de 287 naar 20 naar de westelijke ingang van Yellowstone National Park. Wellicht veel kilometers gemaakt de eerste dagen, maar over de vaak saaie wegen in Amerika, is het volgens ons beter door te rijden om later meer vrije dagen te hebben het beste.

Op de KOA camping twee nachten geboekt. Bijzonder aardige medewerkers en lekker dicht bij het park.

 De volgende dag 06.00 uur opgestaan, koffie gedronken en op weg naar het park. Via de parkgate naar binnen en genieten van de uitzichten op de Noordelijke lus (die toch al meer dan 200 km lang is).

En ja hoor, de mist lag nog deels op de weg en daar zagen we de eerste kudde bizons over de weg lopen op weg naar lager gelegen grasweiden. Onvoorstelbaar zulke grote beesten. Voordeel van vroeg opstaan, veel wild gezien en lekker rustig in het park.

Na een lekkere nachtrust weer vroeg opgestaan (iedereen aan te raden) en op weg naar Grand Teton, via Yellowstone Park. Ja, toch weer bizons op de weg, geweldige start van de rit. Vele geisers gezien en uiteraard ook Old Faithfull die netjes op tijd, volgens het bordje van Parkrangers, begon te spuiten. Na de vele oh´s en ah´s eindigde de geiser met spuiten en wilden we weggaan. Nee dus, loopt er vlak achter ons langs een geweldig grote bizon. De Parkrangers waren bijna te laat om iedereen te waarschuwen en zo kwam het voor dat een dame meende dat het een leuk beest was, dat je gewoon kon aaien of knuffelen. Oeps, ging nog maar net goed.

Aan de 26 vonden we camping net achter de dam. Zelf inschrijven en het geld in de bus doen. Later kwam de campingbeheerder nog langs of we wilden vissen, want het was vandaag vrij vissen voor iedereen.

Vertrokken en via de 26 Idaho Falls bereikt en vandaar via de 15 naar het noorden. In Missoula op de KOA overnacht.

De volgende morgen via de 93 richting Canada. Een mooie route die ons onder meer langs het dorpje Polson voerde. Hier bezochten we niet wetende wat ons hier te verwachten stond, een Outlett Mall-etje, net achter de brug. Na even rond gekeken te hebben, kwam de eigenaar er aan en vroeg of we even 2 minuten tijd hadden om het kleinste theater van de hele wereld te bekijken. Wij hadden de tijd, dus even de video camera opgehaald en terug naar het theater. Bob, een oud bullrider, gaf een korte demonstratie van zijn kunnen op de accordeon en als dank kregen we twee flessen Ginger Ale en een postkaart met hem als bullrider er op. Zeker langs gaan als je hier in de buurt komt, een bijzondere beleving.

En dan, daar is de grens met Canada. Shit, hebben we wel alle melkproducten op, geen fruit aan boord (doosje rosé hadden we voor de zekerheid al verstopt). Geen probleem, hebben jullie ……etc, nee hoor. Gaan jullie nog weer terug naar Amerika? Neen, zeiden we beiden volmondig, o.k. dan haal ik de groene kaart die we hadden gekregen bij binnenkomst in Amerika er uit.

We overnachten in Fort Steele op de camping die precies tegenover het park lag dat we wilden bezoeken. Het park was open, we mochten een lager tarief betalen, want nog niet alle gebouwen waren open. Al met al toch een mooie samenstelling van oude western gebouwen en demonstraties van oude ambachten, zoals goudzoeken en smeden.

De volgende dag was het plan te stoppen in Fairmont Hott spring op de camping met zwembad en hottub. Bleek dat het zwembad geschilderd werd en de hottub nog gesloten. Dan maar door naar Radium Hot Springs, iets ten noorden van Fairmont.

Tot zover lag de route min of meer vast. Navraag bij de receptie over de weersverwachting gaf aan dat Banff de komende dagen slecht weer verwachte en dat Revelstoke goed weer kon verwachten. Hierop hebben we onze route aangepast en door gereden naar Revelstoke.

Canyon Hotspring Campground met een warm zwembad 37 graden en een iets warmer bad van maar liefst 42 graden. We hebben een dagkaart genomen, zodoende konden we de volgende morgen nadat we uitgeslapen hadden voor 11.00 uur nogmaals een lekker warm bad nemen.

Dan door naar de KOA in Clearwater, met nog steeds een Nederlandse eigenaar. Vanaf deze camping, die aan de ingang van het Wellsgray park ligt, is het gemakkelijk naar het park te rijden. Tegenover de KOA zit trouwens een warme bakker met vers, heel vers brood en lekkere koeken en koffie. Doordat we ook nu weer vroeg op pad gingen hadden we het geluk twee keer over een moeder- en kind zwarte beer te zien. Een bijzondere ontmoeting zo vroeg en we genoten met volle teugen. Uiteraard hebben we de watervallen bezocht en genoten van de stilte in het park en de vele andere wilde dieren als herten en big horn sheep.

Vanuit Clearwater door naar Jasper waar we gelijk maar naar de camping Whistler gingen, omdat we uit eerdere ervaring wisten dat er veel plekken zijn, maar een beperkt aantal met stroom en water. Helaas alles al volgeboekt, alleen de vrije plekken in het bos zijn nog vrij. Geen probleem nemen we die voor twee nachten. Echt kamperen dus, zonder stroom en water? Nee dus, er waren zelfs mensen die in tenten sliepen, terwijl er een duidelijke aanwijzing was dat er zwarte beren in de buurt waren. Afgezien van vele zwangere elken die elk moment konden bevallen hebben we hier geen beren gezien (helaas). Een elk met een jong is trouwens ook gevaarlijk, ze kunnen bijzonder agressief zijn. Een elk of wapiti hert is, op de Moose na, het grootste rendier.

Jasper als plaats is de laatste jaren niet veel veranderd, wat wel anders is geworden dat er bijna geen Canadese eigenaars meer zijn in de winkels. Bijna allemaal overgenomen door Chinezen. De prijzen waren bijna overal gelijk verhoogd en op het zelfde niveau gezet (stukken duurder dan de vorige keer), dus hier moet de NMA maar eens naar toe gaan.

Na een bezoek aan het Maligne Lake en de binnenweg de 93A die mooie plekjes heeft met ondermeer white water raften (rustige vorm om over de rivier te glijden) en een mooi uitzicht punt waar vroeger een fort gestaan heeft.

Dan op weg richting Abraham Lake voor de overnachting. Uiteraard hebben we onderweg alle mooie plekjes bezocht, van Lake naar Lake gereden en genoten van de stilte dan weer van de watervallen en de vele mooie kleuren. Zonder een goede voorbereiding rij je langs de mooiste plekken. Koop de boeken Vancouver en de Rocky’s en Lannoo West Canada.

Bij de Athabasca Gletsjer zijn we in 2001 en 2005 geweest en nu weer, dan schrik je toch wel hoe de gletsjer door de opwarming van de aarde geslonken is. Aan de borden kun je zien hoever de gletsjer is geslonken.

Omdat we niet wilden doorrijden naar Lake Louise, zijn we doorgereden naar David Thompson RV Park aan het Abraham Lake. Helaas was het zwembad en de hottub nog dicht. Wel moesten we hier het volle pond betalen.

’s Morgens om 7 uur weer vroeg op weg en wat dacht je wat? Jawel hoor, weer veel wilde dieren gezien, als herten, bighorn sheep en …… een grote volwassen zwarte beer aan de kant van de weg. Wij uiteraard stoppen, geen mens op de weg alleen de beer. De beer graasde wat rond en kreeg ons in de gaten. Liep al grazend naar onze camper en begon aan de voorband te ruiken, wij uiteraard filmen en foto’s maken, liep toen langzamerhand naar het rechterportier (snel het raam dicht gedaan) en bekeek ons eens rustig door het portierraam. Hij ging er toen zo genaamd rustig bij liggen. Aan de lichaamstaal van het dier te zien, lag hij niet rustig maar in een houding van waaruit hij wellicht heel snel bij ons (door het gesloten) portier raam binnen kon komen. Wij zijn toen maar heel voorzichtig doorgereden en zagen in de achteruit spiegel dat hij het voor gezien hield en ging het bos in. Een bijzondere ontmoeting die volgens ons alleen ’s morgens vroeg mogelijk is.

Via Lake Louise en de vele mooie meren en watervallen richting Banff. Hier hebben we twee nachten geslapen op de camping Tunnel Moutain, net buiten Banff. Uiteraard hebben we alle bezienswaardigheden in en rond Banff bekeken, zoals Johnston Canyon aan de 1A, de Banff Gondela, Banff Hotel en het warme zwembad.

De laatste nacht hebben we, als vele Nederlandse met ons, doorgebracht op Calgary West Campground aan de 1. Na een rustige nacht zijn we in de loop van de ochtend naar Calgary doorgereden en hebben de camper ingeleverd bij C.C. Met een taxi zijn we naar het vliegveld gebracht, waar we wachtten op het toestel van Martinair dat ons via Edmonton (nu konden we blijven zitten) terug bracht naar Nederland.

Al met al een geslaagde- en mooie reis met vele bijzondere herinneringen en hoogte punten.

Truus en Ton te Nijenhuis, juni 2007

Terug naar Verhalen


X

We gebruiken cookies om er zeker van te zijn dat u onze website zo goed mogelijk beleeft. Als u deze website blijft gebruiken gaan we ervan uit dat u dat goed vindt. Meer informatie

Wij gebruiken cookies om ervoor te zorgen dat onze website voor de bezoeker beter werkt. Daarnaast gebruiken wij o.a. cookies voor onze webstatistieken.

Sluiten